Gepost door: davidtroch | mei 1, 2012

Moet ik de poëzie verlaten?

Samen met de organisators Philip Meersman en Maarten Billiet van Creatief Schrijven en Jee Kast, het andere jurylid voor deze voorronde van het Belgisch Kampioenschap Poetry Slam, zit ik te eten op een terras. Ik krijg papieren onder de neus geschoven. Om tijdens de optredens te noteren. En voor achteraf, voor een juryverslag. Van een zulke afspraak herinner ik me niets. Opdraven, een mening geven en met de laatste trein weer naar huis, daarvoor kreeg ik wat schamele centen, meende ik. Maar, mijn muze, je kent me, ik zeg: ‘Oké.’ Pas als ik aan het schrijven moet, denk ik: ‘Een mens wil dat goed doen, een mens stopt daar tijd in, een mens heeft tal van andere moordende deadlines die nu in het gedrang komen. En, mijn moeder is vandaag jarig.’ Wat vind jij dat ik moet doen? Moet ik de poëzie verlaten?

Belgisch Kampioenschap of niet, presenator Jan Ducheyne kondigt aan dat een aantal deelnemers aan het podium van De Sprekende Ezels teksten zullen lezen. Zij doen niet mee aan de wedstrijd. Twee dames beginnen eraan. Ze besluiten met een resem dolle lezersbrieven over relatieproblemen gericht aan de redactie van het weekblad Flair, aan het eind van elke brief vragen ze zich steeds af: ‘Moet ik hem verlaten?’ Ik kijk op de klok van mijn slimme telefoon – haal ik die laatste trein? – en schrijf ter plekke een variatie op: Moet ik de poëzie verlaten?

Philip Meersman legt de spelregels van de avond uit. Onder andere dat hij bij een performance na drie minuten een blauw zwaailicht zal aanknippen, ten teken dat de dichter moet afronden. Het blijkt slechts één keer nodig te zijn. Iedereen houdt het kort en bondig. Mooi, dan haal ik die laatste trein. Waar zou ik overnacht hebben als de tien dichters die zich vooraf ingeschreven hadden allemaal zouden zijn opgedaagd? Nee, geen tien deelnemers, maar slechts vijf achternaamloze kandidaten. Dat is wel erg weinig, vind je ook niet, muze? Was het uit angst voor de jury dat er slechts vijf moedigen opdaagden? Hebben wedstrijden als een Belgisch Kampioenschap Poetry Slam wel zin? Moet ik de poëzie verlaten?

De eerste deelnemer, Eli, steekt in het Engels van wal. Ik schrik en denk aan wat ik op de website las: om 21u bezetten de Nederlandstalige Brusselaars de binnenstad. Twee andere deelnemers doen het gedeeltelijk (Zonar) of helemaal (Alban) in het Frans. Slechts twee deelnemers, Flor en Oscar, brengen volledig Nederlandstalige teksten. Oordeel ik wel even goed over Engels- en Franstalige dan over Nederlandstalige poëzie? Moet ik de poëzie verlaten?

Omdat er slechts vijf deelnemers zijn, heeft iedereen twee keer drie minuten de tijd om zichzelf te bewijzen. Twee van hen gaan door naar de finale, de publiekslieveling en een kandidaat die Jee Kast en ik kiezen. We noteren allebei ijverig, opvallende zinnen, details over lichaamstaal. Zodat we kunnen argumenteren als we het niet eens raken. Ik kan maar beter een mening hebben. Wat als ik geen mening heb? Moet ik de poëzie verlaten?

Eli brengt in een goed ritme een poëtische observatie vanuit een toren van een rennende man. Zonar klemt zich vast aan zijn papier en heeft geen contact met het publiek. Hij herhaalt steeds de vraag ‘Voel je je goed?’ Het is eens wat anders dan: Moet ik de poëzie verlaten? Flor opent met ‘U wacht op wat ik bedacht’ en stapelt vervolgens de prachtige beelden op. Hij heeft het bijvoorbeeld over ‘de hik van een hyena’. Ook Alban draaft op met papier, maar anders dan Zonar weet hij het publiek wel aan te kijken. Zijn beelden overtuigen echter niet. ‘Bill Gates is geen Robin Hood’, weet Oscar die schippert tussen zang en rap. Hij stopt zijn woordenvloed strak in het rijm, te strak, wat hij illustreert met ‘maar wees opgepast’.

In de tweede ronde wordt de volgorde omgedraaid. Oscar haalt  hetzelfde trucje als in de vorige ronde boven. Door het rijm en het klankrijm waarmee hij speelt, gaat veel van de inhoud van zijn tekst verloren. Alban lijkt de andere deelnemers goed te hebben geobserveerd, zijn poëtisch sprookje, met frivole Franstalige zinnen als ‘De vos zei: neem me zoals ik ben’, weet hij overtuigender te brengen. Flor gaat verrassend voor stilte en maakt zo, meer dan de andere kandidaten, contrast met zijn vorige ronde. Ik schrijf dingen op als: ‘Die bijtgrage glimlach tussen je benen’ en ‘Zolang jouw lichaam vordert in dat verval’. Ook Zolar brengt meer ritme in zijn tekst, al neigt die meer naar proza dan naar poëzie. Eli sluit af met papier in de hand. In de naam van de democratie brengt ze een poëtisch pamflet.

Jee Kast en ik reppen ons naar buiten, waar het aarzelend aan het druppelen is, en na een niet al te lang beraad gaan we weer café De Lava binnen. Een groot deel van het publiek kiest voor Eli, Joost en ik schuiven Flor naar voor. En hop, het lot bepaalt dat Eli als eerste de in totaal acht minuten durende finale mag vullen. ‘I wasn’t born in the ghetto’, zegt ze. In een kort poëtisch stukje heeft ze het over een vader. Flor pikt in: ‘En daar sta je dan.’  Waarna Eli het over een moeder heeft: ‘I wasn’t born in the mountains’. Het is duidelijk dat zij een lang gedicht heel pienter opsplitst om het Flor moeilijk te maken.  Die geeft echter geen krimp. Hij lijkt zelfs te improviseren door zich plots te laten ontvallen: ‘Gaat zij terug naar die bergen waar ik nooit iets van geweten heb.’ Het pingpongspel gaat op hoog niveau door, Flor zijn motor sputtert even, maar hij herpakt zich snel en zegt: ‘Dan beslissen we eender wat.’ Ja, wat beslissen we, Jee Kast en ik, in de al meer zelfverzekerde regen? Wie van deze twee ijzersterke kandidaten mag het op 1 december opnemen tegen de winnaars van de andere voorrondes? Het wordt Flor. Het publiek lyncht de jury niet, maar applaudisseert welgemeend. Ik schud her en der wat handen en wandel in een regelrechte stortvloed naar Brussel Centraal. Eens in de trein maalt in mijn hoofd nog steeds de vraag: ‘Moet ik de poëzie verlaten?’

 

Gepost door: davidtroch | april 27, 2012

Bundelvoorstelling ‘buiten westen’

In naam van uitgeverij PoëzieCentrum nodig ik u van harte uit op de presentatie van ‘buiten westen’, mijn nieuwe dichtbundel. Het feest vindt plaats op vrijdag 18 mei om 20u in Poëziecentrum, Het Toreken, Vrijdagsmarkt 36, 9000 Gent.

Na de inleiding door dichter en recensent Philip Hoorne, draag ik voor. Luc Vanhee en Sylvie Marie zorgen voor het muzikaal intermezzo. De uitgeverij biedt u nadien graag een glas aan.

Uw komst bevestigt u door een e-mail te sturen naar sieglinde.vanhaezebrouck@poeziecentrum.be of te bellen naar 09 225 22 25.

Indien u er niet bij kunt zijn, de bundel vindt u ook in de boekhandel of is er te bestellen. Heeft u liever een gesigneerd exemplaar van buiten westen en/of van mijn vorige bundel laat[avond]taal? Stuur me gerust een mailtje.

Hopelijk tot vrijdag 18 mei!

Gepost door: davidtroch | maart 10, 2012

Meander Magazine + Facebook

Nieuwsgierig naar mijn nieuwe dichtbundel buiten westen? In het literaire webtijdschrift Meander Magazine krijg je met drie gedichten uit de cyclus beeldbuis alvast een voorsmaakje. 

Bovenaan zie je trouwens staan ‘lees het bijbehorende interview‘. Klik je daarop, vind je nergens een interview, maar wel een spannend stukje proza… Oh ja, op die pagina stoot je ook op de cover van buiten westen. Was je maar fan van me op Facebook, dan had je die al een kleine twee weken geleden gezien.

Gepost door: davidtroch | februari 3, 2012

Write Now!

Als redacteur van het literaire tijdschrift Kluger Hans zetel ik in de jury van de schrijfwedstrijd Write Now!. Tenminste, dat doe ik voor de drie Vlaamse voorronden in Antwerpen, Gent en Leuven. Jongeren tussen 15 en 24 jaar kunnen nog tot 1 april hun proza en/of poëzie insturen. Alle informatie op de website van Write Now!.

Prijsuitreikingen vinden plaats op woensdag 18 april in het Zuiderpershuis in Antwerpen, op vrijdag 20 april in het Arcatheater in Gent en op zaterdag 21 april in 30CC in Leuven. Daags nadien loop ik mijn eerste marathon in Antwerpen. Maar dat doet voor de rest niets ter zake.

Gepost door: davidtroch | januari 27, 2012

Poëzieconversaties

Gedichtendag betekende het startsein voor een reeks poëzieconversaties tussen Sylvie Marie en mezelf. Gisteren stonden we in de bibliotheek van Hoogstraten. Daar was het VRT journaal bij. Morgenochtend rijden we naar de bibliotheek van Izegem. De bibliothecaris kijkt er alvast naar uit. De bibliotheken van Rotselaar en Willebroek volgen nog. Voor precieze data klikt u door naar ‘Optredens’. Altijd welkom bij één van de conversaties. Al mag u Sylvie en mezelf natuurlijk ook altijd voor zo’n conversatie boeken.

Gepost door: davidtroch | januari 25, 2012

wij waren geen jongens

Dit gedicht won de derde Turning Nationale Gedichtenwedstrijd:

wij waren geen jongens

wij hadden vaders, wij waren zonen. het volstond niet
dat wij driemaal daags spek en spinazie vraten.
de hemdsmouwen moesten omhoog,

wij moesten tonen hoe hard wij de spieren in onze bovenarmen
op konden spannen. wij zweetten als zwijnen, groeven bloederige kloven
in onze handen, wroetten in het stof waarin onze voorvaderen
al jaren liggen te liggen

en kregen het vuil amper onder onze vingernagels vandaan.
wij moesten voelen met wat wij tussen de benen geboren waren, jongens,

maar hadden niet eens een eigen kamer
waar wij voorovergebogen, met opgetrokken knieën
en met de neus in andere werelden zaten.

wij ondervonden aan den lijve dat doordringende boerenstank
je harder in het gezicht kan slaan dan wat vuistdikke boeken.

- David Troch

Het juryrapport bij de eerste prijs leest u hier.

Gepost door: davidtroch | december 4, 2011

Tussen half zeven en half zeven

Tussen half zeven en half zeven

“Kunt u onze kijkers in zo’n helder mogelijke bewoordingen meer vertellen over de belangrijkste hervormingen uit het regeerakkoord?”
“Jazeker, met veel plezier. Ik geloof dat één van onze grootste verwezenlijkingen erin bestaat dat de zes onderhandelende partijen het, al heeft dat veel voeten in de aarde gehad, het uiteindelijk eens zijn geworden over het feit dat het voortaan in ons land tussen half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds niet meer mag regenen.”
“Dat het niet meer mag regenen?”
“Inderdaad. Ik zie dat u het niet kan geloven, maar het is zo, het is echt zo. Ja, dat hebben we toch maar mooi voor mekaar gekregen.”
“Maar over regen heeft een regering van een land toch niets te zeggen?”
“Oh nee?”
“Regen komt uit wolken, wolken hangen hoog in de lucht, en u kan wolken toch niet verbieden om tussen twee bepaalde tijdstippen over ons land te vliegen? En u kan al zeker niet voorkomen dat ze hun overtollige ballast vlak boven uw hoofd lossen.”
“Kijk, wij wisten dat wij bakken kritiek van een stelletje sceptische journalisten over ons heen zouden krijgen zodra wij dit deel van het regeerakkoord bekend zouden maken. De media hebben tijdens de lange onderhandelingen niets anders gedaan dan kritiek, vaak onterechte kritiek, vaak ongefundeerde kritiek, te spuien, maar we hebben er ondertussen mee leren leven dat jullie persjongens nooit verder kijken dan jullie neus lang is en dat jullie altijd meteen op jullie achterste poten staan. Dat gezegd zijnde, natuurlijk kunnen wij wolken verbieden om tussen half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds over ons land te drijven. Want, wolken drijven, die vliegen niet zoals u het zonet verkeerdelijk verwoordde. U vergeet dat wij, of nee, opnieuw, u vergeet dat ons leger om twee dingen bekend staat, en dat zijn één, onze mijnenvegers, en twee, onze F16’s. Akkoord, in deze operatie, en die operatie heeft een prachtige naam, maar die is helaas geheim, dus het heeft geen zin dat u er naar hengelt, in deze operatie is de rol van de mijnenvegers eerder beperkt, maar ze krijgen wel een ondersteunende functie. Alles draait rond onze vloot F16’s.”
“Wat gaan die F16’s precies doen?”
“Jullie journalisten hebben echt geen centimeter verbeelding, jullie willen alleen maar feiten, feiten en nog eens feiten. Wat denk je dat die F16’s gaan doen?”
“Ik heb geen flauw idee.”
“Dat verwondert me niet. Ik verwacht sinds lang van journalisten geen snedige gevatte replieken meer. Nu, laat ons daar maar niet te ver over uitweiden. U wou meer weten over de vernieuwde taak van onze F16’s en bij uitbreiding van onze volledige luchtmacht en, bij nog verdere uitbreiding, van ons voltallig leger. Zij zullen er voortaan over waken dat er geen druppel regen meer valt tussen de al vernoemde uren en bij elke dreiging, hoe miniem ook, zullen onze F16’s de lucht in gaan, afhankelijk van hoe groot de dreiging is, zullen het er meer of minder zijn, en de regenwolken dwingen rechtsomkeer te maken. Of ze nu komen van Nederland, Frankrijk of godbetert Duitsland of van over zee, ze zullen ons luchtruim niet binnendringen.”
“Maar dat is hallucinant. Dat lijkt mij een haast onmogelijke opgave!”
“Ik zei het al, geen centimeter verbeelding. Voor deze nieuwe regering is niets onmogelijk, en ik leg de klemtoon met veel nadruk op het woord niets. Dankzij deze regering zal alles worden verwezenlijkt wat vroeger onmogelijk leek, deze regering zal…”
“Sorry dat ik u onderbreek, maar…”
“Er is reclame?”
“Nee, geen reclame. Ik heb een vraag.”
“Vraag maar raak.”
“Waarom precies tussen half zeven en half zeven?”
“Het is daarover, over die precieze tijdstippen, waarover nog het meest discussie is gevoerd. Als we het daarover sneller eens waren geweest, hadden we veel vlugger een regering gehad, dat begrijpt u, maar het is nu eenmaal gelopen zoals het gelopen is. We kunnen veel, deze nieuwe regering kan veel, maar de klok terugdraaien, kunnen we niet. Nu, het devies van deze nieuwe regering is: ‘Zeg nooit: nooit’, dus u weet maar nooit.”
“De tijdstippen, we hadden het over de tijdstippen, half zeven en half zeven, en onze uitzendtijd is helaas beperkt, dus als u nu…”
“Uiteraard, uiteraard. Neemt u mij niet kwalijk. Ik ben gewoon erg enthousiast over iedereen die deel uitmaakt van de nieuwe regering. Mag het even? Wel, sommige onderhandelaars wilden het verbod al een half uur vroeger laten ingaan, anderen wilden het dan weer anderhalf uur langer laten duren, maar je moet ergens een lijn trekken, een compromis uitwerken zoals jullie dat zo graag in de media noemen, dus zijn we uiteindelijk overeengekomen dat een halve dag zonder regen al een mooie start is.”
“Ja, maar waarom dan tussen…”
“Daar kom ik op, daar kom ik op. U moet mij niet opjagen. U en uw televisiezender schermen altijd maar met het argument dat geen argument is, dat het volgende reclameblok klaar staat, maar u vergeet dat uw kijkers uw reclameblokken weg zappen of dat ze tijdens die reclameblokken naar het toilet gaan of dat ze een frisse pint uit de koelkast halen, of twee frisse pinten, of drie en vooral dat ze die reclameblokken van u willen stoppen daar waar de zon niet schijnt. U vergeet dat uw kijkers gebaat zijn met de informatie die ik u en dus uw kijkers verstrek. Ze zouden het u niet in dank afnemen als u hen die informatie onthoudt door reclame. Dus als u zo goed zou zijn om mij niet meer te onderbreken totdat ik alles uit de doeken heb gedaan in heldere bewoordingen, zoals u het in het begin van ons gesprek formuleerde.”
“Oké.”
“Beloofd?”
“Beloofd.”
“Ik mag hopen dat ik u mag geloven. Waar waren we gebleven?”
“Bij.”
“Ja, ik weet waar we gebleven waren. Kent u geen retorische vragen misschien?”
“Ja, maar.”
“Dat was een retorische vraag. Goed, half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds. We hebben het Nationaal Instituut voor de Statistiek ingeschakeld en wat blijkt?”
“Ik vermoed dat u ons dat nu gaat vertellen.”
“Zwijg nu godverdomme eens even.”
“Sorry, het is soms sterker dan mezelf.”
“Als ik uw baas was, u was allang de laan uit gestuurd.”
“Maar u bent mijn baas niet. Wij zijn geen staatstelevisie.”
“Goddank. Al moet ik er misschien met mijn regering eens over hebben of we nog wel langer niet-staatstelevisies toelaten in dit land.”
“Is dat een dreigement, chantage?”
“Nee, dat is een bedenking.”
“Kunnen we dan nu terug naar het onderwerp?”
“Omdat u zo aandringt. Het onderzoek van het Nationaal Instituut voor de statistiek dus. Zij hebben berekend, en hun foutenmarge is bijzonder klein, verwaarloosbaar eigenlijk, zij hebben berekend dat er tussen half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds het meeste mensen buitenshuis zijn!”
“En dus?”
“En dus? U begrijpt het echt niet, hé. Buitenshuis. Dat betekent dat de mensen op straat zijn, dat ze wandelen, dat ze fietsen, dat ze in de auto zitten op weg ergens naartoe. Naar school, naar kantoor, naar een afspraak met een klant, naar een afspraak waar niemand wat over mag weten, naar god weet waar. En mensen die buitenshuis zijn, worden niet graag nat of het moet in de zomer zijn als ze een verfrissende duik in de zee nemen. Maar daar kiezen ze dan voor. Regen, dat is niet te kiezen. Dat is te nemen of te laten. En als je naar school, naar het werk of waar dan ook naartoe moet, dan heb je die te nemen. Dus hebben wij beslist, wij, de nieuwe regering waar ik zo trots op ben, het niet meer te laten regenen tussen de onderhand bekende tijdstippen.”
“Maar ik zie niet in wat daar nu zo goed aan is, los dan van het feit dat de mensen voortaan droog zullen blijven.”
“Ik noem één voorbeeld. U bent journalist, u neemt dus wel eens de wagen, u moet immers meteen ter plekke zijn daar waar het gebeurt, wat dat ‘het’ dan ook mag zijn. En als u zo snel ergens naartoe moet als het regent dan heeft u hem vast wel eens geknepen, u lijkt me wel zo’n broekschijtertje, want een nat wegdek kan erg verraderlijk zijn en als het heel hard regent en uw ruitenwissers slaan als een gek op de snelste stand op en neer en u moet een vrachtwagen voorbij, dan durft u dat bijna niet, maar goed, de job is de job, dus gaat u die vrachtwagen voorbij met dichtgeknepen billen. Voortaan hoeft u uw billen niet meer toe te knijpen, want dan ligt elk wegdek er tien tegen één droog bij.”
“Ongelooflijk.”
“Maar we hebben die beslissing natuurlijk niet louter voor onze vrienden van de pers genomen. De beslissing zal het aantal verkeersongevallen aanzienlijk doen slinken. Het is u ongetwijfeld ook al opgevallen dat er op onze snelwegen het ene ongeval na het andere gebeurt als het na een tijd goed weer weer regent. Met de gekende monsterfiles tot gevolg. Ook die monsterfiles zullen tot het verleden behoren. We zijn er immers ook zeker van dat onze maatregel het aantal wagens op de weg gevoelig zal terugdringen.”
“Hoezo?”
“Wel, de mensen die nu voor korte afstanden de auto nemen op regenachtige dagen, zullen nu automatisch geneigd zijn om voor hun verplaatsingen de fiets te nemen.”
“Gelooft u dat echt?”
“Hoor ik daar een kritische noot?”
“Gaan die mensen niet gewoon de auto blijven nemen, puur uit gewoonte?”
“Het is niet omdat u dat zou doen, dat iedereen dat zal doen.”
“Dat beweer ik niet, maar heeft u het Nationaal Instituut voor de Statistiek ook laten berekenen hoeveel mensen hun wagen aan de kant zullen laten staan bij droog weer?”
“Het behoort niet tot de kerntaken van het Nationaal Instituut voor de Statistiek om zulke zaken te onderzoeken, we hebben in deze dan ook een enquêtebureau onder de arm genomen en de resultaten zijn, en ik zoek nu even het juiste woord, de resultaten zijn verbluffend, echt, ronduit verbluffend. Bijna de helft zou zijn auto laten staan voor drie vierde van de korte verplaatsingen.”
“Maar meer dan de helft dus niet en die bijna helft waarover u spreekt, laat dan nog niet voor alles de auto aan de kant.”
“U komt eindelijk aardig op dreef. Flink zo. Straks hebben we nog iets dat lijkt op een echt gesprek. Nu, u kunt natuurlijk niet verwachten dat de mensen, iedereen, zijn leven van de ene dag op de andere drastisch verandert. Zoiets vergt tijd. Wij gaan dan ook meteen van start met een grootschalige, wat zeg ik, een grootscheepse sensibiliseringscampagne. U moet dat woord trouwens eens zo vaak mogelijk en zonder één keer te struikelen herhalen. Om de onderhandelingen aangenaam te houden, hebben we met dat woord wel eens wedstrijdjes gehouden. Gelachen dat we hebben. Dat houdt u niet voor mogelijk.”
“U heeft spelletjes gespeeld tijdens de onderhandelingen?”
“De boog kan niet altijd gespannen staan, nietwaar. Zeker om drie uur ’s nachts, na aanslepende discussies, snakt een mens gewoon naar, hoe zal ik het zeggen, een lach en een traan.”
“Ongetwijfeld. Kunt u onze kijkers iets meer vertellen over die sensibiliseringscampagne?”
“Niet voordat u het woord zo vaak als u maar kunt heeft herhaald.”
“Kom, laat ons nu geen spelletjes spelen.”
“Ach, niet flauw doen. Uw rotzender bulkt van de spelletjes. Het zijn vaak trieste spelletjes, triest in de zin van bedrieglijk. U weet zelf wel op welke spelletjes ik doel.”
“Sensibiliseringscampagne. Sensibiliseringscampagne. Dat is het beste dat ik kan.”
“Twee keer? Zelfs een peuter van drie doet beter. Is dat het niveau van uw zender? Probeert u het nog een keer. En neemt u het nu alstublieft wat serieuzer.”
“Sensibiliseringscampagne. Sensibiliseringscampagne. Sensibiliseringscampagne. Sensibili…”
“Ha, ha, u bent ontzettend grappig als u zich concentreert, weet u dat? U knijpt uw ogen half toe. Ik mag hopen dat uw cameraman dat goed in beeld heeft gebracht. Die beelden gaan de wereld rond. Gegarandeerd.”
“Ik heb gedaan wat u vroeg, kunnen we dan nu weer ter zake komen? Wat houdt die campagne precies in?”
“De exacte details dienen nog ingevuld te worden, wij hebben enkel de krijtlijnen uitgetekend. Voor de invulling doen we een beroep op een reclamebureau. Het Nationaal Instituut voor de Statistiek, een enquêtebureau, een reclamebureau. U merkt het, wij willen zoveel mogelijk mensen aan werk helpen en het aantal mensen dat aan het werk zal zijn, zal nog nooit zo hoog zijn geweest en dat allemaal omdat het tussen half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds niet meer zal regenen.”
“Op welke manier gaat u dan nog extra volk aan het werk krijgen?”
“De vraag naar fietsen, om maar iets te noemen, zal toenemen.”
“Maar die naar auto’s afnemen.”
“Daarin vergist u zich, vrees ik. Mensen zullen nog steeds een auto willen voor verplaatsingen waarvoor ze de fiets niet kunnen nemen. Niet alleen omdat de afstand te ver is, maar ook, bijvoorbeeld, neem nu, u geeft een feestje, u bent jarig, u bent gul, u heeft wat vrienden en die wil u verwennen met een feestje, dan heeft u bier nodig, we zijn tenslotte wie we zijn, de grootste bierconsumenten van de planeet, en één bak bier zou u nog op uw bagagedrager kwijt kunnen, maar een tweede, dat wordt al moeilijker, dan moet uw vrouw al mee met de fiets naar de winkel in de veronderstelling dat u een vrouw heeft, nu, u zou natuurlijk ook met een vriend naar de winkel kunnen, het kan allemaal, maar wat ik een beetje bedoel, één fiets, één bak bier. En dan heeft u alleen dat nog maar, geen wijn, geen frisdrank, geen versnaperingen. Dat wordt een beetje veel als u niet met een hele colonne fietsers nar de supermarkt wil. Niet dat er geen extra fietsstallingen zullen komen bij alle supermarkten in ons land, en ook die fietsstallingen moeten gemaakt en geplaatst worden, dus dat creëert weer extra arbeidsplaatsen, maar de grootste oppervlakte van de supermarktparkings in ons land zal toch voorbehouden blijven voor koning auto, dat geef ik u op een blaadje, en dan gewoon door de praktische reden dat de koffer van koning auto verrekte handig is. Bovendien vergeet u in uw veronderstelling dat er straks minder auto’s zullen zijn dat we niet kunnen garanderen dat het na half zeven ’s avonds droog blijft.”
“Ja, nu u naar dat onderwerp weer terugkeert, nu u dat opnieuw aansnijdt, wat er mij constant door het hoofd flitst, is de vraag waarom u niet heeft beslist om het gewoon nooit meer te laten regenen. U zegt het eigenlijk zelf, tussen half zeven ’s avonds en half zeven ’s ochtends is er nog volk op straat, ikzelf als journalist bijvoorbeeld, en dan moet ik die vrachtwagen nog steeds met blubber in de broek voorbij.”
“Het antwoord is simpel, het antwoord ligt zo voor de hand dat ik er van versteld sta dat u als journalist die vraagt durft stellen. U heeft echt niet logisch leren nadenken in uw opleiding, of wel? Goed, omdat u het duidelijk in Keulen hoort donderen, zal ik het u vertellen en dat doe ik meer voor uw kijkers dan voor u, als u dat maar goed beseft. Geen druppel regen heeft verstrekkende gevolgen, niet alleen op het ecologische systeem, ook op onze economie. U vergeet dat landbouwers regen nodig hebben, dat ze daar deels van afhankelijk zijn voor de teelt van hun gewassen. Zonder regen, zonder water, zal er geen krop sla, geen tomaat, geen bloemkool meer op uw bord liggen zonder dat u er astronomische bedragen voor heeft moeten betalen. Er zouden gevechten in regel ontstaan om de laatste kleine, schrompelige krop sla in de supermarkt te pakken te krijgen, er zouden overal plunderingen uitbreken. De chaos zou niet te overzien zijn.”
“En dat wilt u niet op uw geweten hebben.”
“Dat wilt geen enkel lid van de kersverse regering op zijn geweten hebben, zo is dat. Vandaar dat wij nogal wiedes kozen voor een gestroomlijnde irrigatie.”
“Maar heeft u er ook bij stilgestaan wat de gevolgen zijn voor onze buurlanden?”
“Wat zijn die gevolgen volgens u dan?”
“Behoort u die gevolgen zelf niet te kennen?”
“Natuurlijk en natuurlijk ken ik die. Ik leg straks de eed af als leider van het land waar straks iedereen wil wonen, dus doe me niet als achterlijk af. Ik wil het gewoon even uit uw mond horen, als journalist en als gewone burger.”
“Wel, al die regenwolken die u verhindert over ons land te drijven, zullen boven onze buurlanden hun inhoud kwijt willen.”
“Daar zie ik het probleem echt niet van in.”
“Het aantal neerslag per kubieke meter zal er pijlsnel de hoogte in schieten en voor we het goed en wel beseffen, hebben onze buurlanden met wateroverlast te kampen. De diplomatieke rel die u ontketent is niet te overzien als door ons toedoen de helft van Nederland onder water komt te staan. U weet dat zij nog steeds kampen met een trauma na de watersnood in de jaren vijftig.”
“Niets weerhoudt onze buurlanden ervan om dezelfde maatregelen te treffen.”
“Zegt u nu dat u hoopt dat er andere landen uw voorbeeld zullen volgen?”
“Het is de hoogste tijd dat ons land zich niet langer bescheiden opstelt. Ons land moet binnen Europa een voortrekkersrol durven spelen.”
“Dat is krasse taal. Maar heb ik het juist voor en droomt u ervan dat er straks in heel Europa tussen half zeven ‘s ochtends en half zeven ’s avonds geen druppel regen meer valt?”
“Of dat het tussen half zeven en half zeven zal zijn, daar valt over te onderhandelen, maar ik sluit de mogelijkheid zeker niet uit.”
“Waar moeten alle regenwolken dan heen?”
“Ze kunnen hun gang gaan boven de zee. Het aardoppervlak bestaat voor zeventig procent uit water, mijn beste. Plek genoeg zou ik dus zeggen.”
“Juist. Ik vrees dat we dit onderwerp nu moeten afsluiten. We maken even ruimte voor reclame, beste kijker. Loopt u vooral niet weg, na de onderbreking komt u nog veel meer te weten over het regeerakkoord.”

© David Troch

Gepost door: davidtroch | november 28, 2011

recensie Het Liegend Konijn

In het weekblad Tertio verscheen op 2 november onderstaande recensie over het tweede nummer van de negende jaargang van Het Liegend Konijn. Lees en u begrijpt dat ik u deze recensie niet wil onthouden.

Mijmerend over de toekomst

Jooris van Hulle | Volgend jaar maakt Jozef Deleu het decennium vol met Het Liegend Konijn, zijn tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie dat twee keer per jaar verschijnt en de vinger aan de pols houdt van wat leeft en beweegt in poëtisch letterenland. Deleu moet het niet hebben van trommels en trompetten, van gehypete fenomenen die vaak als eendagsvliegen even mogen schitteren aan het firmament. Wat hij nu al negen jaargangen lang voor ogen houdt, valt onder één noemer te vatten: kwaliteit. Daar hebben leeftijd of reputatie niets mee te maken. Het nummer twee van de jaargang 2011 opent met een reeks gedichten van de negentigjarige Albert Bontridder en laat daar, eenvoudigweg volgens alfabetische ordening, verzen op volgen van Mark Boog tot Menno Wigman. En binnen de traditie zoals die is gegroeid in Het Liegend Konijn: ook nieuwe namen in dit nummer: Anne Broeksma, Flor Declercq, Emy Koopman, Peter Tekelenburg en Michaël Vandebril krijgen hun plaats en effenen zo de weg naar een mogelijke eerste publicatie.

Uit het rijke aanbod kies ik een gedicht van David Troch (1977). Het is het centrale gedicht uit een cyclus die als overkoepelende titel Dit is… draagt. De titel dient meegelezen te worden bij het eerste vers:

[dit is...]

voor straks: midden in de nacht
gekleed aan het bed van je ouders staan

en naar zee willen
om zo nodig zee leeg te scheppen.

elke middag oefen je met emmers,
de zandbak in de tuin vormt jouw strand, er passen
kastelen waar je ook komt, je hoeft vooralsnog niet

oninneembaar te zijn.
je schommelt naar de hemel,
valt van de glijbaan onzacht op de grond.

In hun onderlinge samenhang evoceren de drie gedichten uit de cyclus de levensfases van een kind: de tijd dat je taalloos bent (gedicht 1), de tijd van het verdroomde leven in het spel van de verbeelding (gedicht 2) en het moment dat afstand wordt genomen van de ouders (was je maar tandeloos gebleven, / dat scheelde wel wat pijn).

Het hier geciteerde gedicht raakt door de eenvoud waarmee zoveel herkenbaars wordt opgeroepen: het kind dat zijn dromen komt vertellen, het kind dat nog echt gelooft in de wonderen en er ondertussen wat gaat voor oefenen. Maar even nadrukkelijk klinkt de bezorgde stem door van de ouder die ‘weet’: ooit zal de onschuld worden belaagd, zal de wereld zich op een onzachte manier opdringen. Troch verwoordt het zonder ophef, maar des te aansprekender.

Jozef Deleu, Het Liegend Konijn, jrg.9, nr. 2, oktober 2011, Van Halewijck / Van Gennep, Leuven/Amsterdam.

Klassieke filoloog en recensent Jooris Van Hulle leest en bespreekt jaarlijks zo’n 130 boeken. Vlaamse en Zuid-Afrikaanse literatuur zijn hem dierbaar, net als de ‘verstilling’ van de dichter.

Gepost door: davidtroch | oktober 18, 2011

Dichters in het museum

Jozef Deleu stelde voor het Meense stadsmuseum ’t Schippershof een klein poëzieprogramma samen. Maud Vanhauwaert, Flor Declerq en ik brengen nu zondag, 23 oktober, om 11u een bloemlezing uit eigen werk. Deleu neemt meteen de gelegenheid te baat om het tweede nummer van de negende jaargang van Het Liegend Konijn voor te stellen. Niet toevallig prijken daarin gedichten van Vanhauwaert, Declerq en Troch.

Gepost door: davidtroch | augustus 28, 2011

De Brakke Hond

Wat me opvalt in het nieuwste nummer van De Brakke Hond is het feit dat een niet onaardig deel (46 pagina’s van de 128) wordt ingevuld door de eigen redactie: een verhaal van Roderik Six, een fabel van Frank Adam, een poëziekroniek van Chrétien Breukers en ontboezemingen van Ann Meskens als writer in residence.

Ik krijg het tijdschrift in handen gedrukt door de immer sympathieke Rino Feys, uitbater van De Zondvloed in Roeselare. ‘Hier, kijk, je staat er ook in.’ Inderdaad, met acht gedichten doe ik een duit in het zakje. Titels van mijn gedichten:

• de schoen
• visioenen (1, 2, 3 en 4)
• de heldhaftigste
• lelijke meisjes
• het kneusje

Als u die titels maar niks vindt, koopt u het nummer dan voor de poëzie van Miquel Declercq, Delphine Lecompte, Rob Schouten of Christophe Vekeman.

Oudere Berichten »

Categorieën

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.