In het weekblad Tertio verscheen op 2 november onderstaande recensie over het tweede nummer van de negende jaargang van Het Liegend Konijn. Lees en u begrijpt dat ik u deze recensie niet wil onthouden.
Mijmerend over de toekomst
Jooris van Hulle | Volgend jaar maakt Jozef Deleu het decennium vol met Het Liegend Konijn, zijn tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie dat twee keer per jaar verschijnt en de vinger aan de pols houdt van wat leeft en beweegt in poëtisch letterenland. Deleu moet het niet hebben van trommels en trompetten, van gehypete fenomenen die vaak als eendagsvliegen even mogen schitteren aan het firmament. Wat hij nu al negen jaargangen lang voor ogen houdt, valt onder één noemer te vatten: kwaliteit. Daar hebben leeftijd of reputatie niets mee te maken. Het nummer twee van de jaargang 2011 opent met een reeks gedichten van de negentigjarige Albert Bontridder en laat daar, eenvoudigweg volgens alfabetische ordening, verzen op volgen van Mark Boog tot Menno Wigman. En binnen de traditie zoals die is gegroeid in Het Liegend Konijn: ook nieuwe namen in dit nummer: Anne Broeksma, Flor Declercq, Emy Koopman, Peter Tekelenburg en Michaël Vandebril krijgen hun plaats en effenen zo de weg naar een mogelijke eerste publicatie.
Uit het rijke aanbod kies ik een gedicht van David Troch (1977). Het is het centrale gedicht uit een cyclus die als overkoepelende titel Dit is… draagt. De titel dient meegelezen te worden bij het eerste vers:
[dit is...]
voor straks: midden in de nacht
gekleed aan het bed van je ouders staan
en naar zee willen
om zo nodig zee leeg te scheppen.
elke middag oefen je met emmers,
de zandbak in de tuin vormt jouw strand, er passen
kastelen waar je ook komt, je hoeft vooralsnog niet
oninneembaar te zijn.
je schommelt naar de hemel,
valt van de glijbaan onzacht op de grond.
In hun onderlinge samenhang evoceren de drie gedichten uit de cyclus de levensfases van een kind: de tijd dat je taalloos bent (gedicht 1), de tijd van het verdroomde leven in het spel van de verbeelding (gedicht 2) en het moment dat afstand wordt genomen van de ouders (was je maar tandeloos gebleven, / dat scheelde wel wat pijn).
Het hier geciteerde gedicht raakt door de eenvoud waarmee zoveel herkenbaars wordt opgeroepen: het kind dat zijn dromen komt vertellen, het kind dat nog echt gelooft in de wonderen en er ondertussen wat gaat voor oefenen. Maar even nadrukkelijk klinkt de bezorgde stem door van de ouder die ‘weet’: ooit zal de onschuld worden belaagd, zal de wereld zich op een onzachte manier opdringen. Troch verwoordt het zonder ophef, maar des te aansprekender.
Jozef Deleu, Het Liegend Konijn, jrg.9, nr. 2, oktober 2011, Van Halewijck / Van Gennep, Leuven/Amsterdam.
Klassieke filoloog en recensent Jooris Van Hulle leest en bespreekt jaarlijks zo’n 130 boeken. Vlaamse en Zuid-Afrikaanse literatuur zijn hem dierbaar, net als de ‘verstilling’ van de dichter.