439. Post-its

U ontvangt mijn ultrakortverhalen liever in uw mailbox? Stuur ‘Tart mij’ naar info@davidtroch.be

{eventuele overeenkomsten tussen fictie(ve personages) en non-fictie(ve personen) zijn slechts de speling van een droevig lot en een heleboel toevalligheden die de auteur niet in de schrijvershand heeft}

Mijn vrouw draagt een lange, zwarte cape die van boven tot beneden bedekt is met gele post-it papiertjes. Achteraan post-its in het gekende formaat, vooraan plakt er slechts één gigantische post-it in een formaat waarvan ik niet wist dat het bestond.
Wat er op de kleine post-its staat geschreven, kan ik van op deze afstand niet lezen. Ik stap op mijn vrouw toe en mijn blik blijft hangen aan die ene zin onderaan de gigantische post-it: naar een idee van Steven.
Ik ken helemaal geen Steven. Mijn vrouw kent duidelijk wel een Steven of toch iemand die zich voor Steven uitgeeft. Pas nu merk ik de lachende mannen op die haar omgeven, voordien had ik enkel oog voor haar lange, zwarte cape en de gele post-its. Eén van hen moet Steven zijn, als ze allemaal al niet Steven noemen.
Eén man deelt aan de andere lachende mannen balpennen uit, de balpenuitdelende man moet Steven zijn, gok ik. De lachende mannen nemen een post-it, schrijven er met de balpen iets op en kleven het op de rug van mijn vrouw. Die vermaakt zich kostelijk.
Als ik vlak voor haar sta, doet ze eerst alsof ze me niet kent. Steven, of hij van wie ik vermoed dat hij Steven is, reikt mij een balpen aan, in de veronderstelling dat ik ook wel een boodschap op de rug van mijn eigen vrouw wil schrijven. Ik negeer hem en richt het woord tot mijn vrouw. Wat ik op een post-it kan schrijven, kan ik net zo goed tegen haar zeggen.
‘Wat raar dat ik je hier tref,’ zeg ik. ‘Ik weet niet hoe het komt, maar opeens reed ik rond in Leuven en zocht ik de weg naar Mechelen. Ik dacht dat ik vlak voor een tunnel een bordje zag, dus reed ik die tunnel in, maar het bleek een garage te zijn. Nu ja, niet echt een garage, eerder een ondergronds middeleeuws gewelf. Ik stapte uit, beklom wat trappen en kwam in een voetbalstadion terecht. Ik veronderstel een voetbalstadion in Leuven, maar daar heb ik toch zo mijn twijfels over want ik zag supporters van SK Beveren die aan het picknicken waren en hoe het kan dat weet ik niet, je zou toch denken dat er dranghekkens zouden zijn, maar plots stond ik tussen dronken supporters van Liverpool. Waarom Liverpool in het midden van het voetbalseizoen tegen SK Beveren zou spelen, ik heb geen idee, zo goed zijn die nu ook niet bezig in tweede klasse. Laat staan dat ik zou weten waarom ze precies in het voetbalstadion van Leuven tegen elkaar zouden spelen. We zijn toch in Leuven?’
Mijn vrouw haalt haar schouders op.
‘Ga je mee naar huis,’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt ze, ‘ik rij wel met Steven mee.’

{David Troch}

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s