Tussen half zeven en half zeven

Tussen half zeven en half zeven

“Kunt u onze kijkers in zo’n helder mogelijke bewoordingen meer vertellen over de belangrijkste hervormingen uit het regeerakkoord?”
“Jazeker, met veel plezier. Ik geloof dat één van onze grootste verwezenlijkingen erin bestaat dat de zes onderhandelende partijen het, al heeft dat veel voeten in de aarde gehad, het uiteindelijk eens zijn geworden over het feit dat het voortaan in ons land tussen half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds niet meer mag regenen.”
“Dat het niet meer mag regenen?”
“Inderdaad. Ik zie dat u het niet kan geloven, maar het is zo, het is echt zo. Ja, dat hebben we toch maar mooi voor mekaar gekregen.”
“Maar over regen heeft een regering van een land toch niets te zeggen?”
“Oh nee?”
“Regen komt uit wolken, wolken hangen hoog in de lucht, en u kan wolken toch niet verbieden om tussen twee bepaalde tijdstippen over ons land te vliegen? En u kan al zeker niet voorkomen dat ze hun overtollige ballast vlak boven uw hoofd lossen.”
“Kijk, wij wisten dat wij bakken kritiek van een stelletje sceptische journalisten over ons heen zouden krijgen zodra wij dit deel van het regeerakkoord bekend zouden maken. De media hebben tijdens de lange onderhandelingen niets anders gedaan dan kritiek, vaak onterechte kritiek, vaak ongefundeerde kritiek, te spuien, maar we hebben er ondertussen mee leren leven dat jullie persjongens nooit verder kijken dan jullie neus lang is en dat jullie altijd meteen op jullie achterste poten staan. Dat gezegd zijnde, natuurlijk kunnen wij wolken verbieden om tussen half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds over ons land te drijven. Want, wolken drijven, die vliegen niet zoals u het zonet verkeerdelijk verwoordde. U vergeet dat wij, of nee, opnieuw, u vergeet dat ons leger om twee dingen bekend staat, en dat zijn één, onze mijnenvegers, en twee, onze F16’s. Akkoord, in deze operatie, en die operatie heeft een prachtige naam, maar die is helaas geheim, dus het heeft geen zin dat u er naar hengelt, in deze operatie is de rol van de mijnenvegers eerder beperkt, maar ze krijgen wel een ondersteunende functie. Alles draait rond onze vloot F16’s.”
“Wat gaan die F16’s precies doen?”
“Jullie journalisten hebben echt geen centimeter verbeelding, jullie willen alleen maar feiten, feiten en nog eens feiten. Wat denk je dat die F16’s gaan doen?”
“Ik heb geen flauw idee.”
“Dat verwondert me niet. Ik verwacht sinds lang van journalisten geen snedige gevatte replieken meer. Nu, laat ons daar maar niet te ver over uitweiden. U wou meer weten over de vernieuwde taak van onze F16’s en bij uitbreiding van onze volledige luchtmacht en, bij nog verdere uitbreiding, van ons voltallig leger. Zij zullen er voortaan over waken dat er geen druppel regen meer valt tussen de al vernoemde uren en bij elke dreiging, hoe miniem ook, zullen onze F16’s de lucht in gaan, afhankelijk van hoe groot de dreiging is, zullen het er meer of minder zijn, en de regenwolken dwingen rechtsomkeer te maken. Of ze nu komen van Nederland, Frankrijk of godbetert Duitsland of van over zee, ze zullen ons luchtruim niet binnendringen.”
“Maar dat is hallucinant. Dat lijkt mij een haast onmogelijke opgave!”
“Ik zei het al, geen centimeter verbeelding. Voor deze nieuwe regering is niets onmogelijk, en ik leg de klemtoon met veel nadruk op het woord niets. Dankzij deze regering zal alles worden verwezenlijkt wat vroeger onmogelijk leek, deze regering zal…”
“Sorry dat ik u onderbreek, maar…”
“Er is reclame?”
“Nee, geen reclame. Ik heb een vraag.”
“Vraag maar raak.”
“Waarom precies tussen half zeven en half zeven?”
“Het is daarover, over die precieze tijdstippen, waarover nog het meest discussie is gevoerd. Als we het daarover sneller eens waren geweest, hadden we veel vlugger een regering gehad, dat begrijpt u, maar het is nu eenmaal gelopen zoals het gelopen is. We kunnen veel, deze nieuwe regering kan veel, maar de klok terugdraaien, kunnen we niet. Nu, het devies van deze nieuwe regering is: ‘Zeg nooit: nooit’, dus u weet maar nooit.”
“De tijdstippen, we hadden het over de tijdstippen, half zeven en half zeven, en onze uitzendtijd is helaas beperkt, dus als u nu…”
“Uiteraard, uiteraard. Neemt u mij niet kwalijk. Ik ben gewoon erg enthousiast over iedereen die deel uitmaakt van de nieuwe regering. Mag het even? Wel, sommige onderhandelaars wilden het verbod al een half uur vroeger laten ingaan, anderen wilden het dan weer anderhalf uur langer laten duren, maar je moet ergens een lijn trekken, een compromis uitwerken zoals jullie dat zo graag in de media noemen, dus zijn we uiteindelijk overeengekomen dat een halve dag zonder regen al een mooie start is.”
“Ja, maar waarom dan tussen…”
“Daar kom ik op, daar kom ik op. U moet mij niet opjagen. U en uw televisiezender schermen altijd maar met het argument dat geen argument is, dat het volgende reclameblok klaar staat, maar u vergeet dat uw kijkers uw reclameblokken weg zappen of dat ze tijdens die reclameblokken naar het toilet gaan of dat ze een frisse pint uit de koelkast halen, of twee frisse pinten, of drie en vooral dat ze die reclameblokken van u willen stoppen daar waar de zon niet schijnt. U vergeet dat uw kijkers gebaat zijn met de informatie die ik u en dus uw kijkers verstrek. Ze zouden het u niet in dank afnemen als u hen die informatie onthoudt door reclame. Dus als u zo goed zou zijn om mij niet meer te onderbreken totdat ik alles uit de doeken heb gedaan in heldere bewoordingen, zoals u het in het begin van ons gesprek formuleerde.”
“Oké.”
“Beloofd?”
“Beloofd.”
“Ik mag hopen dat ik u mag geloven. Waar waren we gebleven?”
“Bij.”
“Ja, ik weet waar we gebleven waren. Kent u geen retorische vragen misschien?”
“Ja, maar.”
“Dat was een retorische vraag. Goed, half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds. We hebben het Nationaal Instituut voor de Statistiek ingeschakeld en wat blijkt?”
“Ik vermoed dat u ons dat nu gaat vertellen.”
“Zwijg nu godverdomme eens even.”
“Sorry, het is soms sterker dan mezelf.”
“Als ik uw baas was, u was allang de laan uit gestuurd.”
“Maar u bent mijn baas niet. Wij zijn geen staatstelevisie.”
“Goddank. Al moet ik er misschien met mijn regering eens over hebben of we nog wel langer niet-staatstelevisies toelaten in dit land.”
“Is dat een dreigement, chantage?”
“Nee, dat is een bedenking.”
“Kunnen we dan nu terug naar het onderwerp?”
“Omdat u zo aandringt. Het onderzoek van het Nationaal Instituut voor de statistiek dus. Zij hebben berekend, en hun foutenmarge is bijzonder klein, verwaarloosbaar eigenlijk, zij hebben berekend dat er tussen half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds het meeste mensen buitenshuis zijn!”
“En dus?”
“En dus? U begrijpt het echt niet, hé. Buitenshuis. Dat betekent dat de mensen op straat zijn, dat ze wandelen, dat ze fietsen, dat ze in de auto zitten op weg ergens naartoe. Naar school, naar kantoor, naar een afspraak met een klant, naar een afspraak waar niemand wat over mag weten, naar god weet waar. En mensen die buitenshuis zijn, worden niet graag nat of het moet in de zomer zijn als ze een verfrissende duik in de zee nemen. Maar daar kiezen ze dan voor. Regen, dat is niet te kiezen. Dat is te nemen of te laten. En als je naar school, naar het werk of waar dan ook naartoe moet, dan heb je die te nemen. Dus hebben wij beslist, wij, de nieuwe regering waar ik zo trots op ben, het niet meer te laten regenen tussen de onderhand bekende tijdstippen.”
“Maar ik zie niet in wat daar nu zo goed aan is, los dan van het feit dat de mensen voortaan droog zullen blijven.”
“Ik noem één voorbeeld. U bent journalist, u neemt dus wel eens de wagen, u moet immers meteen ter plekke zijn daar waar het gebeurt, wat dat ‘het’ dan ook mag zijn. En als u zo snel ergens naartoe moet als het regent dan heeft u hem vast wel eens geknepen, u lijkt me wel zo’n broekschijtertje, want een nat wegdek kan erg verraderlijk zijn en als het heel hard regent en uw ruitenwissers slaan als een gek op de snelste stand op en neer en u moet een vrachtwagen voorbij, dan durft u dat bijna niet, maar goed, de job is de job, dus gaat u die vrachtwagen voorbij met dichtgeknepen billen. Voortaan hoeft u uw billen niet meer toe te knijpen, want dan ligt elk wegdek er tien tegen één droog bij.”
“Ongelooflijk.”
“Maar we hebben die beslissing natuurlijk niet louter voor onze vrienden van de pers genomen. De beslissing zal het aantal verkeersongevallen aanzienlijk doen slinken. Het is u ongetwijfeld ook al opgevallen dat er op onze snelwegen het ene ongeval na het andere gebeurt als het na een tijd goed weer weer regent. Met de gekende monsterfiles tot gevolg. Ook die monsterfiles zullen tot het verleden behoren. We zijn er immers ook zeker van dat onze maatregel het aantal wagens op de weg gevoelig zal terugdringen.”
“Hoezo?”
“Wel, de mensen die nu voor korte afstanden de auto nemen op regenachtige dagen, zullen nu automatisch geneigd zijn om voor hun verplaatsingen de fiets te nemen.”
“Gelooft u dat echt?”
“Hoor ik daar een kritische noot?”
“Gaan die mensen niet gewoon de auto blijven nemen, puur uit gewoonte?”
“Het is niet omdat u dat zou doen, dat iedereen dat zal doen.”
“Dat beweer ik niet, maar heeft u het Nationaal Instituut voor de Statistiek ook laten berekenen hoeveel mensen hun wagen aan de kant zullen laten staan bij droog weer?”
“Het behoort niet tot de kerntaken van het Nationaal Instituut voor de Statistiek om zulke zaken te onderzoeken, we hebben in deze dan ook een enquêtebureau onder de arm genomen en de resultaten zijn, en ik zoek nu even het juiste woord, de resultaten zijn verbluffend, echt, ronduit verbluffend. Bijna de helft zou zijn auto laten staan voor drie vierde van de korte verplaatsingen.”
“Maar meer dan de helft dus niet en die bijna helft waarover u spreekt, laat dan nog niet voor alles de auto aan de kant.”
“U komt eindelijk aardig op dreef. Flink zo. Straks hebben we nog iets dat lijkt op een echt gesprek. Nu, u kunt natuurlijk niet verwachten dat de mensen, iedereen, zijn leven van de ene dag op de andere drastisch verandert. Zoiets vergt tijd. Wij gaan dan ook meteen van start met een grootschalige, wat zeg ik, een grootscheepse sensibiliseringscampagne. U moet dat woord trouwens eens zo vaak mogelijk en zonder één keer te struikelen herhalen. Om de onderhandelingen aangenaam te houden, hebben we met dat woord wel eens wedstrijdjes gehouden. Gelachen dat we hebben. Dat houdt u niet voor mogelijk.”
“U heeft spelletjes gespeeld tijdens de onderhandelingen?”
“De boog kan niet altijd gespannen staan, nietwaar. Zeker om drie uur ’s nachts, na aanslepende discussies, snakt een mens gewoon naar, hoe zal ik het zeggen, een lach en een traan.”
“Ongetwijfeld. Kunt u onze kijkers iets meer vertellen over die sensibiliseringscampagne?”
“Niet voordat u het woord zo vaak als u maar kunt heeft herhaald.”
“Kom, laat ons nu geen spelletjes spelen.”
“Ach, niet flauw doen. Uw rotzender bulkt van de spelletjes. Het zijn vaak trieste spelletjes, triest in de zin van bedrieglijk. U weet zelf wel op welke spelletjes ik doel.”
“Sensibiliseringscampagne. Sensibiliseringscampagne. Dat is het beste dat ik kan.”
“Twee keer? Zelfs een peuter van drie doet beter. Is dat het niveau van uw zender? Probeert u het nog een keer. En neemt u het nu alstublieft wat serieuzer.”
“Sensibiliseringscampagne. Sensibiliseringscampagne. Sensibiliseringscampagne. Sensibili…”
“Ha, ha, u bent ontzettend grappig als u zich concentreert, weet u dat? U knijpt uw ogen half toe. Ik mag hopen dat uw cameraman dat goed in beeld heeft gebracht. Die beelden gaan de wereld rond. Gegarandeerd.”
“Ik heb gedaan wat u vroeg, kunnen we dan nu weer ter zake komen? Wat houdt die campagne precies in?”
“De exacte details dienen nog ingevuld te worden, wij hebben enkel de krijtlijnen uitgetekend. Voor de invulling doen we een beroep op een reclamebureau. Het Nationaal Instituut voor de Statistiek, een enquêtebureau, een reclamebureau. U merkt het, wij willen zoveel mogelijk mensen aan werk helpen en het aantal mensen dat aan het werk zal zijn, zal nog nooit zo hoog zijn geweest en dat allemaal omdat het tussen half zeven ’s ochtends en half zeven ’s avonds niet meer zal regenen.”
“Op welke manier gaat u dan nog extra volk aan het werk krijgen?”
“De vraag naar fietsen, om maar iets te noemen, zal toenemen.”
“Maar die naar auto’s afnemen.”
“Daarin vergist u zich, vrees ik. Mensen zullen nog steeds een auto willen voor verplaatsingen waarvoor ze de fiets niet kunnen nemen. Niet alleen omdat de afstand te ver is, maar ook, bijvoorbeeld, neem nu, u geeft een feestje, u bent jarig, u bent gul, u heeft wat vrienden en die wil u verwennen met een feestje, dan heeft u bier nodig, we zijn tenslotte wie we zijn, de grootste bierconsumenten van de planeet, en één bak bier zou u nog op uw bagagedrager kwijt kunnen, maar een tweede, dat wordt al moeilijker, dan moet uw vrouw al mee met de fiets naar de winkel in de veronderstelling dat u een vrouw heeft, nu, u zou natuurlijk ook met een vriend naar de winkel kunnen, het kan allemaal, maar wat ik een beetje bedoel, één fiets, één bak bier. En dan heeft u alleen dat nog maar, geen wijn, geen frisdrank, geen versnaperingen. Dat wordt een beetje veel als u niet met een hele colonne fietsers nar de supermarkt wil. Niet dat er geen extra fietsstallingen zullen komen bij alle supermarkten in ons land, en ook die fietsstallingen moeten gemaakt en geplaatst worden, dus dat creëert weer extra arbeidsplaatsen, maar de grootste oppervlakte van de supermarktparkings in ons land zal toch voorbehouden blijven voor koning auto, dat geef ik u op een blaadje, en dan gewoon door de praktische reden dat de koffer van koning auto verrekte handig is. Bovendien vergeet u in uw veronderstelling dat er straks minder auto’s zullen zijn dat we niet kunnen garanderen dat het na half zeven ’s avonds droog blijft.”
“Ja, nu u naar dat onderwerp weer terugkeert, nu u dat opnieuw aansnijdt, wat er mij constant door het hoofd flitst, is de vraag waarom u niet heeft beslist om het gewoon nooit meer te laten regenen. U zegt het eigenlijk zelf, tussen half zeven ’s avonds en half zeven ’s ochtends is er nog volk op straat, ikzelf als journalist bijvoorbeeld, en dan moet ik die vrachtwagen nog steeds met blubber in de broek voorbij.”
“Het antwoord is simpel, het antwoord ligt zo voor de hand dat ik er van versteld sta dat u als journalist die vraagt durft stellen. U heeft echt niet logisch leren nadenken in uw opleiding, of wel? Goed, omdat u het duidelijk in Keulen hoort donderen, zal ik het u vertellen en dat doe ik meer voor uw kijkers dan voor u, als u dat maar goed beseft. Geen druppel regen heeft verstrekkende gevolgen, niet alleen op het ecologische systeem, ook op onze economie. U vergeet dat landbouwers regen nodig hebben, dat ze daar deels van afhankelijk zijn voor de teelt van hun gewassen. Zonder regen, zonder water, zal er geen krop sla, geen tomaat, geen bloemkool meer op uw bord liggen zonder dat u er astronomische bedragen voor heeft moeten betalen. Er zouden gevechten in regel ontstaan om de laatste kleine, schrompelige krop sla in de supermarkt te pakken te krijgen, er zouden overal plunderingen uitbreken. De chaos zou niet te overzien zijn.”
“En dat wilt u niet op uw geweten hebben.”
“Dat wilt geen enkel lid van de kersverse regering op zijn geweten hebben, zo is dat. Vandaar dat wij nogal wiedes kozen voor een gestroomlijnde irrigatie.”
“Maar heeft u er ook bij stilgestaan wat de gevolgen zijn voor onze buurlanden?”
“Wat zijn die gevolgen volgens u dan?”
“Behoort u die gevolgen zelf niet te kennen?”
“Natuurlijk en natuurlijk ken ik die. Ik leg straks de eed af als leider van het land waar straks iedereen wil wonen, dus doe me niet als achterlijk af. Ik wil het gewoon even uit uw mond horen, als journalist en als gewone burger.”
“Wel, al die regenwolken die u verhindert over ons land te drijven, zullen boven onze buurlanden hun inhoud kwijt willen.”
“Daar zie ik het probleem echt niet van in.”
“Het aantal neerslag per kubieke meter zal er pijlsnel de hoogte in schieten en voor we het goed en wel beseffen, hebben onze buurlanden met wateroverlast te kampen. De diplomatieke rel die u ontketent is niet te overzien als door ons toedoen de helft van Nederland onder water komt te staan. U weet dat zij nog steeds kampen met een trauma na de watersnood in de jaren vijftig.”
“Niets weerhoudt onze buurlanden ervan om dezelfde maatregelen te treffen.”
“Zegt u nu dat u hoopt dat er andere landen uw voorbeeld zullen volgen?”
“Het is de hoogste tijd dat ons land zich niet langer bescheiden opstelt. Ons land moet binnen Europa een voortrekkersrol durven spelen.”
“Dat is krasse taal. Maar heb ik het juist voor en droomt u ervan dat er straks in heel Europa tussen half zeven ‘s ochtends en half zeven ’s avonds geen druppel regen meer valt?”
“Of dat het tussen half zeven en half zeven zal zijn, daar valt over te onderhandelen, maar ik sluit de mogelijkheid zeker niet uit.”
“Waar moeten alle regenwolken dan heen?”
“Ze kunnen hun gang gaan boven de zee. Het aardoppervlak bestaat voor zeventig procent uit water, mijn beste. Plek genoeg zou ik dus zeggen.”
“Juist. Ik vrees dat we dit onderwerp nu moeten afsluiten. We maken even ruimte voor reclame, beste kijker. Loopt u vooral niet weg, na de onderbreking komt u nog veel meer te weten over het regeerakkoord.”

© David Troch

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s