449. Soezen

Waarom word je na drie uur slaap alweer wakker? Omdat je hoofd maalt. En je geen blijf weet met je gedachten. Je soest. Dat is een mooiere omschrijving voor: Je blijft met opengesperde ogen in bed liggen. Je kijkt naar hoe de dag ontstaat. Als die dag veranderd is van zwart, naar donkerblauw verweven met rood, naar lichtblauw, stap je het bed uit.

Na de gebruikelijke ochtendplas trek je je loopschoenen aan. Nog geen negen minuten ben je onderweg of je hoort een hond blaffen. In de verte zie je een dobberman. Hij blijft op het erf van een boerderij van zijn oren maken. ‘Die is vastgeketend,’ denk je. Je haalt weer adem en rent verder de berg op.

Na twee passen komt een tweede hond op je afrennen. Je staat stil. Je keert op je stappen terug. Je voelt de snuit van de dobberman tegen je benen. ‘Calme toi, calme toi,’ sus je terwijl je verder de berg afdaalt. De dobberman vindt je duidelijk geen lekker stukje vlees, want hij sloft weer naar het erf.

Langs de rivier dan maar. En je slaat een wegje bezaaid met keien in. Aan een klein watervalletje hou je halt om een foto te nemen. Je hartslag daalt. Als je je smartphone hebt weggestopt in het achterzakje van je loopschort, ben je de dobberman alweer vergeten.

Op het overwegend vlakke weggetje maak je stevig tempo. Tot de keien ophouden en overgaan in een akker. Je rent gewoon verder. Als de akker overgaat in een dichtbegroeid stukje bos, dwing je jezelf door het struikgewas. Je belandt op een met keien bezaaide oever. Je wandelt een stukje terwijl je de smartphone weer opdiept. Je maakt foto’s van de ruwe rotspartij.

‘Dat is best te lopen,’ denk je. Maar dan moet je ook weer naar beneden. ‘Naar beneden springen is altijd een optie,’ flitst het door je hoofd. Je keert je rug naar de rotsen en kijkt naar het riviertje. Breed is het niet. Twee passen schat je en ik ben aan de overkant. Je neemt een aanloop en ja, twee passen.

Op de andere oever vind je een wegje dat naar boven leidt. Aardig. Toch nog een beetje heuveltraining. Het wegje komt uit op een geasfalteerde weg. Als je naar beneden rent, kom je weer uit op je vertrekpunt. Dat is geen optie. Je kiest ervoor om de weg naar boven te gaan. In de verte zie je een tunnel. ‘Tot die tunnel,’ denk je, ‘en dan maak ik rechtsomkeer.’

Natuurlijk doe je dat niet. De tunnel zijn gewoon twee korte overkappingen. In de eerste overkapping roep je een naam. In de tweede overkapping roep je dezelfde naam. Dat lucht op. Het stijgingspercentage maakt je geen donder uit, je rent de longen uit je lijf.

Een splitsing. Je kiest ervoor om naar rechts te gaan. Een kleine afdaling. Waar er weer een tunnel is, een echte, eentje waar er een stuk uit de rots is gekapt. Als je erdoor rent, roep je weer die naam. Drie keer is.

En nog een meter of driehonderd ren je verder weg van het punt waar je vertrok. Dan is het welletjes geweest. In een verschroeiend tempo leg je de vijf kilometer af die je van een verkwikkende douche scheiden.

 

 

Vorige week gaf ik in Frankrijk voor Wisper een cursus kortverhaal. Tijdens de eerste sessie kregen de cursisten de opdracht een kwartier lang te schrijven zonder een seconde hun pen van het papier los te laten. De laatste ochtend was iedereen zo met zijn verhalen bezig, dat het me dusdanig prikkelde om er zelf een te vertellen. Bovenstaande tekst ramde ik in tien minuten uit mijn toetsenbord.

 

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s