450. Slapeloze nachten

Ik ben je dankbaar voor de slapeloze nachten. Voor de uren dat ik op mijn bureaustoel naar buiten zit te turen, de nacht in. Het enige wat ik zie, is een straatlantaarn die de buurt in een bevreemdend oranjegeel schijnsel hult. Geen beweging. Bijna geen geluid. Af en toe een auto, een vrachtwagen, een goederentrein.
Ik beeld mij in dat de vrachtwagen er een van de posterijen is en dat ergens in de laadruimte een brief van me ligt. Een brief aan jou. Maar ik verstuur geen brieven. Mijn handschrift leent zich daar niet toe. Je zou uren zitten turen naar de strepen en krullen op het papier zonder dat je er letters van zou weten te maken. Je zou er slapeloos van worden. Net zo slapeloos als ik.
Dat zou goed zijn. We zouden onze naaktheid bedekken, schoenen aantrekken, een jas, en naar buiten gaan, straatlantaarn na straatlantaarn achter ons laten. En we zouden praten. God, wat zouden we praten. We zouden de nacht wegpraten zoals we dat al zo vaak met de dag hebben gedaan.
Wat zijn dat heerlijke dagen. Ze zijn zo heerlijk dat ik na twee, drie uur slaap weer wakker word om ze seconde na seconde te herbeleven. Dan stap ik uit bed en slof ik naar mijn bureaustoel. Van waar ik zit, heb ik zicht op de straatlantaarn. Niet dat die straatlantaarn me erg interesseert. Ik heb meer interesse in mijn handen, hoe ze strepen en krullen op papier zetten. De aanzet voor een gedicht. De zoveelste brief aan jou die ik weer niet zal versturen. Of dit stukje dat ik straks verfrommel en door het open raam naar de straatlantaarn werp.
Mijn buren zijn goede buren, ’s ochtends stoppen ze elk verfrommeld papier terug in mijn brievenbus. Ze spreken me er nooit over aan. Ze willen alleen van me weten wat ik van het weer vind. ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen,’ zeg ik dan. Ook als er al een dik wit tapijt ligt.
Nee, met geen enkele buur zie ik me de dag of de nacht wegpraten. Dat kan alleen met jou. Ernstige, diepgaande gesprekken. Gesprekken bol van frivole flauwiteiten. Gesprekken waaraan alleen wij een touw weten vast te knopen. Men mag onze gesprekken afluisteren, men zou ze niet begrijpen. Alleen wij doen dat. Alleen wij begrijpen elkaar ten volle. Alleen wij. Wij die alleen de slaap en de rust in elkaars armen zullen vinden. Wij. Ik wil rust, ik wil slaap. Al ben ik je dankbaar, ik ben de slapeloosheid moe.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s