459. Volkslied

Ze heeft die gevaarlijk verliefde blik in haar ogen wanneer ze met twee vingers op mijn borstkas trommelt. ‘Wat ben je mager,’ zegt ze. We liggen aan een of ander zwembad of op een of ander strand of we liggen om één of andere reden in zwemkledij op de vloer van een goederenlift, wat kan het mij verdommen.

‘Hm,’ zeg ik alleen maar. Aan welk deuntje doet haar tromgeroffel me toch denken? Aan het Oezbeeks volkslied misschien. ‘Hoe ken jij het Oezbeeks volkslied?’ vraag ik.

‘Het is het Armeens,’ zegt ze. Ik had er geen idee van dat die twee zo op elkaar leken. ‘Het Oezbeeks gaat zo,’ zegt ze en ze trommelt met twee vingers van haar ene en één vinger van haar andere hand een nieuwe melodie op mijn borstkas. Ik hoor bijna geen verschil. ‘Dat van Roemenië ken ik ook,’ zegt ze, ‘dat is eigenlijk veel mooier.’

‘Speel eens,’ zeg ik. Voor het Roemeens volkslied heb je blijkbaar maar een pink nodig. En verdomd goede oren, zo zacht klinkt het. ‘Kan je het niet versterken? Heb je geen microfoon in de buurt? Een mengpaneel? Boxen?’ vraag ik.

‘Het hoort zo,’ zegt ze, ‘het mag niet te luid. Het is het best akoestisch.’

‘Hm,’ zeg ik weer. Ook zij zwijgt nu. Ook haar vingers zwijgen. Haar linkerhand bedekt mijn navel, haar rechterhand ondersteunt haar hoofd. De hele tijd kijkt ze me verliefd aan. Als ze dat nog lang blijft doen, gooi ik haar zo meteen in het zwembad, in de zee of in de liftschacht, afhankelijk van waar we precies zijn.

Dat zie ik vast van zodra ik opsta. Daar heb ik nog lang geen zin in. We liggen hier nog maar net. Of twee en een half uur. Of we liggen hier al zo lang dat we vergroeid zijn met de omgeving. Wat maakt het uit?

‘Het is niet dat ik zo mager ben,’ zeg ik, ‘dat je zomaar met de blote hand een rib uit mijn lijf kan plukken.’

‘Het is dat er niet meteen iets in de buurt is waarmee het wel zou lukken,’ zegt ze. ‘Een koffielepeltje, een kanopeddel, een kurkentrekker. Ik noem maar wat.’

‘Een kanopeddel lijkt me erg onhandig. Veel te groot,’ zeg ik.

‘Vast wel,’ zegt ze, ‘maar met die kurkentrekker is die rib er zo uit. Ik ontkurk flessen wijn als de beste.’

Ik doe alle moeite van de wereld om mijn lichaam als fles wijn voor te stellen. Dat het me niet lukt, daar word ik dusdanig chagrijnig van dat ik in een opwelling rechtveer en haar in de liftschacht gooi. Hoe we in zwemkledij op de vloer van een goederenlift terecht zijn gekomen en wie ze was, ik heb geen idee.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s