460. Gelakte teennagels

‘Gelakte teennagels, dat is de eerste keer,’ zeg ik. ‘Of toch de eerste keer dat ik het zie.’
Ze trekt haar benen op, legt haar kin op haar knieën en bestudeert gelaten haar voeten in haar sandalen. ‘Waar jij op let,’ zegt ze zonder me aan te kijken.
Ik laat me niet van de wijs brengen. ‘Bij jou is een detail geen detail,’ zeg ik. ‘Ik zie je ook voor het eerst met lippenstift op.’
Heel even draait ze haar hoofd naar me toe, zonder het van haar knieën te halen. In die paar tellen rolt ze met haar ogen, zakken haar schouders wat naar beneden en ontsnapt er een lange zucht uit haar mond. Toch bloost ze. ‘Nog iets?’ vraagt ze.
Er is nog zoveel. Ik kan oneindig doorgaan. Ze toverde nog nooit zo’n mooie blos op haar wangen. We zaten nooit eerder in een park in het gras bij een vijver zonder eenden. We zaten ook nog nooit bij een vijver met eenden. Waar zijn die verdomde beesten? In parkvijvers horen eenden. Bij geen enkele vrouw maakte ik ooit een opmerking over nagellak of lippenstift.
Vrouwen die de tijd hebben hun teennagels te lakken, moet ik niet. Het zijn leeghoofdige wichten. Ik vertrouw ze voor geen haar. Dat zij de tijd nam om, nog in pyjama op bed of naakt op de badrand, met een potje nagellak bezig te zijn, het doet niks met mijn vertrouwen in haar. Nog steeds wil ik haar alles toevertrouwen, al mijn bezittingen, al mijn angsten, al mijn liefde.
Ik krijg mijn ogen haast niet van haar voeten losgetrokken. Maar ze is meer dan voeten, zoveel meer dan voeten. Ik neem haar volledig in me op. Zij in haar zwart jump suit. Jump suits, nog zoiets. Net als gelakte teennagels vind ik het maar niks. Totdat ik haar zonet in zo’n apenpakje op me af zag fladderen. Dan klopte het plots allemaal, jump suit, gelakte teennagels, lippenstift. Dan dacht ik plots: ‘Ze heeft zich alleen maar voor mij zo mooi gemaakt.’
Zoiets dacht ik nooit eerder. Zij herdefinieert alles, al mijn gedachten, al mijn definities. En al ziet ze er elke milliseconde alleen maar beter uit, het bestaat niet dat ze zich zo voor mij optut. ‘Het is de eerste, echt de allereerste keer,’ zeg ik, ‘dat iemand me zo van de wijs brengt.’
‘Haal maar niks in je hoofd,’ zegt ze. ‘Nog één zo’n opmerking en ik gooi je in de vijver.’

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s