462. Nu je

Nu je geur allang door de minuscule gaatjes van het vliegenraam naar buiten is gekropen, herinner ik me nog steeds haarscherp hoe je de deur uit ging, je naar links keek, maar naar rechts ging om de straat uit te wandelen. Ik maakte niet de minste aanstalten je tegen te houden, stond daar maar in de deuropening, leunde nonchalant tegen de deurpost. ‘Die komt wel terug,’ dacht ik. Ik begon net niet een vrolijk deuntje te fluiten.
Vrolijk, het strookte allesbehalve met hoe ik me voelde. Niet dat het voor jou een sikkepit uitmaakt, maar ik voelde me behoorlijk klote, en als ik me behoorlijk klote voel dan druk ik dat de kop in door stante pede vrolijke deuntjes te fluiten. Dat ik daar net niet mee begon toen je wegging, ik had meteen moeten weten dat het behoorlijk veelzeggend was. Dat er stront aan de knikker was, had ik zelfs nauwelijks door toen ik na een week nog steeds in dezelfde onderbroek door het huis doolde.
Dolen is het juiste woord niet, ik zat meestal maar wat te suffen in de eenpersoonszitbank waarin je me zo vaak in slaap had zien sukkelen. Die eerste week schrok ik als vanzelf wakker als mijn oogleden nog geen vijf seconden gesloten waren. Plots had ik jou niet nodig om me met harde hand de les te spellen en me te zeggen dat ik maar in bed moest liggen stinken als ik wou slapen. Ik dommelde in, schrok wakker en bleef zitten waar ik zat. Ik kende geen bioritme meer.
Ik heb altijd al gevonden dat bioritme iets voor watjes is, dezelfde watjes die zich ogenblikkelijk op de drank storten als iemand hen laat stikken. Ik weet wat je denkt, gek genoeg liet ik de barkast nagenoeg ongemoeid. Geen enkele whisky smaakte me, ik heb het met cognac geprobeerd, de fles wodka heb ik aan mijn lippen gezet, maar ik had geen zin in comazuipen, ik heb in mijn leven nog nooit zoveel kraantjeswater gedronken.
Op kraantjeswater overleefde ik die eerste week, en op wat ik in de voorraadkast vond. Veel was dat niet. Het was zo weinig dat ik na zeven dagen ongewassen naar de nachtwinkel om de hoek trok en het eerste het beste dat me eetbaar leek op de toonbank legde en snel mee naar huis nam. Sinds die nacht is er geen mens die ik meer zie dan de Aziaat die de nachtwinkel uitbaat. Onze gesprekken beperken zich tot het moeizaam noemen van het bedrag dat betaald moet worden en een ijzig alstublieft.
Nu, nu je na een maand nog niet bent teruggekeerd, spendeer ik het grootste deel van de dag nog steeds in mijn eenpersoonszitbank. ‘Als ik langer dan nodig zou weggaan,’ denk ik, ‘blijft er in dit huis steeds minder van ons over.’ En met die gedachte krijg ik de deur niet achter me dichtgetrokken.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s