466. Fietser

Ik spuit een vleugje Bleu de Chanel in mijn hals al weet ik dat ik, en nu moet ik even mijn neus tegen het badkamervenster leggen, op deze fraaie winterdag de deur niet zal uitgaan om naar de zee te fietsen, want de zee is erg ver weg, toch al gauw een kilometer of eenenzestig en eenenzestig kilometer fietsen daar begin ik niet aan, niet als je ook nog eens dat hele verrekte eind terug moet als je in je eigen bed wil slapen en dat wil ik, want geen enkel bed slaapt zo goed als mijn bed en ik heb in vele bedden geslapen, maar dat is een verhaal dat ik nu niet hoef te vertellen, misschien vertel ik dat verhaal wel nooit, er is niets interessants aan een verhaal waarin het hoofdpersonage telkens in een ander bed ligt te maffen, ook niet als ik dat hoofdpersonage ben, aan weinig verhalen is iets interessants, verhalen zijn zwaar overschat, net als de zogenaamd helende werking van eenenzestig kilometer naar de zee fietsen, het enige wat je aan al dat fietsen overhoudt, is spierpijn en spierpijn wil ik niet, ik moet de trap nog af, want al ga ik vandaag de deur niet uit, dat wil niet zeggen dat ik niet naar beneden wil om god weet wat te doen, ontbijten bijvoorbeeld, er ligt vast nog iets in de voorraadkast en als er niets in de voorraadkast ligt, zal ik alle maaltijden van de dag overslaan, zelfs het vieruurtje, het vieruurtje sla ik al zo vaak over dat ik het bestaan van het vieruurtje niet zal verdedigen, wat mij betreft mag dat vieruurtje uitsterven, ik zal het niet missen, missen doe ik andere zaken wel, wat die andere zaken zijn, daar doe ik voorlopig het zwijgen toe, als verhalen zwaar overschat zijn, is zwijgen zwaar onderschat, zo had ik meteen kunnen verklappen dat, toen ik over eenenzestig kilometer naar de zee fietsen begon, het lastig fietsen is als je helemaal geen fiets hebt en ik heb geen fiets omdat ik die cadeau deed aan Fons, mijn zesenzeventigjarige overspelige buurman, zodat hij snel kan wegfietsen als Fiona, zijn vijfendertig jaar jongere Indonesische brochurebruid, hem, jawel, op overspel betrapt met Gerda op wie hij al van in de kleuterklas een oogje had maar die hij pas drie weken geleden tot tongzoenen en alles wat daarbij komt wist aan te zetten, al zou dat snel wegfietsen op zijn leeftijd wel eens behoorlijk kunnen tegenvallen, maar dat deed ik niet, dat vertelde ik allemaal niet, ik zal me haasten, ik deed er het zwijgen toe, en toe is ook wat de voordeur vandaag zal blijven, zelfs als Fons in paniek komt aanbellen omdat zijn vrouw weer eens met de wokpan achter hem aanzit, zal ik niet opendoen, hij moet maar op mijn fiets springen en eenenzestig kilometer naar de zee fietsen en waarom ik een buurman die Fons heet verzin, weet ik niet, het enige dat ik met stellige zekerheid weet, is dat jij, al slaapt mijn bed beter dan eender welk bed, nooit meer in mijn bed zal liggen, dat jij nooit meer in eender welk bed zal liggen en dat ik, ook als ik buurmannen verzin, onafgebroken aan je denk en ook als ik aan je denk, wil ik dat je ruikt dat ik lekker ruik, daarom dat ik nog steeds elke ochtend halsstarrig een vleugje Bleu de Chanel in mijn hals spuit.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s