476. De stilte

En toen was daar de stilte. Nooit eerder drong iets zich zo aan ons op. Het overrompelde ons. We waren overdonderd. Het schudde ons dusdanig door elkaar dat we het niet meer van ons af kregen geschud. Eerst kroop het in onze kleren, dan nestelde het zich onder ons vel. Zo namen we het overal mee naartoe.
Niemand zei er iets over. Misschien merkten ze het niet op, misschien wisten ze niet wat ze erover moesten zeggen. Je hebt van die mensen. Ze zwijgen als ze aan iemand iets vreemds zien, iets waarvan ze niet goed weten hoe ermee om te gaan. Laat ons er maar over zwijgen, zeggen ze dan in zichzelf. En ze beginnen over iets anders.
Beginnen ze niet over onbenullige zaken als het weer, vragen ze wel: ‘Heb je het al gehoord van?’ En natuurlijk hebben wij het al gehoord van, iedereen praat erover, niemand wil het nog over iets anders hebben. Maar het betekent niet dat wij er zo nodig ook nog eens onze mening over kwijt willen. Wij hebben wel wat anders aan het hoofd. Dus zeggen wij dat wij nog iets om handen hebben en wij maken ons zo snel als wij maar kunnen uit de voeten.
En wanneer wij onze zich snel verwijderende voetstappen horen, vragen wij ons een seconde lang af of de stilte er nog wel is. Of die toch niet een ijsje is gaan eten. Maar nee hoor, bij de minste twijfel knijpt de stilte zacht in onze schouders en dan weten wij weer dat de stilte geen ijsjes lust. En het mag vreemd klinken, we halen opgelucht adem. De stilte die onder ons vel dan weer aan een ijsje met vanillesmaak, dan weer aan een ijsje met mokkasmaak, dan weer aan een ijsje met frambozensmaak zit te likken, we moeten er niet aan denken, de stilte is een onbeholpen kluns, de stilte zou er nogal een boeltje van maken.
De druppels gesmolten vanille, mokka en frambozen zouden niet te tellen zijn, ze zouden overal komen te zitten, aan onze ribben, aan onze knieschijven, aan onze vingerkootjes. IJs is geen smeerolie, ijs is plakkerig, ijs kleeft. Lang zou het niet duren vooraleer de zadel-, scharnier- en kogelgewrichten in ons geraamte geen kant meer op willen.
Als de stilte onder ons vel plots een onstilbare honger naar ijsjes zou krijgen, zou de stilte ons van onze bewegingsvrijheid beroven. Dan zou er niks anders meer op zitten dan van zonsopgang tot zonsondergang in bed te liggen. Daar zou men ons uiteindelijk vinden. Wij met open monden, alsof we nog iets tegen elkaar hadden willen zeggen. De stilte als een vrolijk aapje tussen ons in.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s