Koning Kwansuis en het land van de driehonderdvijfenzestig steden

In het land van de driehonderdvijfenzestig steden bezat Koning Kwansuis in elke stad een vrouw. Hij regeerde zijn land door van stad naar stad te reizen, van vrouw naar vrouw. Te lang op dezelfde plek blijven, maakte hem steevast onnoemelijk onrustig. En, onrust betekent de doodsteek voor een vorst.
Bovendien kon Koning Kwansuis het gezelschap van een en dezelfde vrouw niet langer dan een nacht verdragen. Na zo’n nacht moest er een jaar overheen gaan voordat hij weer enigszins in staat was om zich in dezelfde ruimte op te houden als de vrouw met wie hij enige uitvoerige uren had doorgebracht.
Wanneer het volgende jaar die vrouw hem niet langer beviel, om redenen die wij niet kennen, beval hij zijn hofmaarschalk haar dood of levend tot ver buiten de landsgrenzen te verbannen en tevens om als de bliksem een reservevrouw op te trommelen. Anders zwaaide er wat. Koning Kwansuis bracht de nacht immers niet graag in zijn eentje door. Hij viel nog liever dood.
De hofmaarschalk wist perfect aan welke eisen de reservevrouw moest voldoen. In elke stad waren die eisen anders, Koning Kwansuis hield van afwisseling. Zoals hij elke nacht het gezelschap van een andere vrouw op prijs stelde, stelde hij het eveneens op prijs als hij niet een week lang in het gezelschap van blondines hoefde te verkeren.
Toch had hij een groot zwak voor blondines, maar de leuze van het land van de driehonderdvijfenzestig steden was niet voor niets: Overdaad schaadt. Koning Kwansuis had die leuze zelf bedacht en was, hoe kan het ook anders, doodsbenauwd om zijn zwak voor blondines te verliezen. Al gaat er niets boven blondines, meer dan drie per week, daar begon hij niet aan. Drie was al veel. Drie was al kantje boordje. Drie was al op het randje. Al moest het op zondag altijd wel een blondine zijn.
Natuurlijk, niet alleen de haarkleur was van tel, Koning Kwansuis had nog andere vereisten voor zijn vrouwen, zowel qua lichaamskenmerken als qua karaktertrekken
Eerst de lichaamskenmerken.
Eén keer per maand wou hij op zondag een blondine met groene ogen, waarvan één lui oog, bij voorkeur het linker, wat in het land van de driehonderdvijfenzestig steden een zeldzaamheid was. Koning Kwansuis had ook zo zijn idee over de hoedanigheid van billen, de peervormigheid van borsten en het al dan niet in toom houden van de lengte van schaamhaarkrullen, maar die ideeën behoren, geef toe, toch meer tot de privésfeer van de koning.
De karaktertrekken waar Koning Kwansuis voor viel, waren echter publiek geheim, zeg gerust: gemeen goed. Hij had het niet zo erg voor bazige types, maar eens per maand keek hij dat toch door de vingers en nam hij voor een keer gretig de onderdanige rol op zich. Koning Kwansuis kon wel wat hebben.
Op alle andere dagen had hij graag vrouwen die gedwee naar hem luisterden, sommigen dienden extreem zwijgzaam te zijn, anderen mochten, zij het met een beperkt stemvolume, in gesprek met hem gaan zolang het niet ging over duivensport, wat in het land van de driehonderdvijfenzestig steden nochtans bijzonder populair was, maar waar Koning Kwansuis een bloedhekel aan had.
Als hij er niet de toorn van gans zijn volk mee op de hals zou halen, hij had die hele duivensport allang per wet tot ver buiten de landgrenzen verbannen. Prijsduiven of niet, duiven blijven duiven, ze scheten graag op het standbeeld van zijn beeltenis dat in elke stad pal in het midden van het marktplein stond.
Flink ondergescheten standbeelden van zijn beeltenis of niet, hij hield zijn volk het liefst tot vriend. Hij had niet meteen zin in een opstand, een opstand, zo had zijn hofmaarschalk hem gewaarschuwd, zou hem de troon kosten en niet alleen de troon, ook het gezelschap van steeds een ander vrouw in steeds een andere stad. Dat moest absoluut vermeden worden.
Want, Koning Kwansuis wist precies wat hij wou en hoe hij datgene kreeg wat hij wilde. En wat hij elke nacht wilde, daar hoeven noch gedetailleerde tekeningen noch smeuïge details bij. Je moet al een domoor zijn om niet door te hebben dat het in de sprookjes van Troch niet gaat om er was eens en om lang en gelukkig leven, maar dat de vleselijke lusten altijd wel achter een of andere hoek loeren.
Die vleselijke lusten in combinatie met het zo kort als maar kon bijpraten over wat er in het voorbije jaar in de stad was gebeurd, weerhielden Koning Kwansuis telkens van een verkwikkende nachtrust. Er zat dan ook niets anders op dan overdag in zijn koets een tukje te doen terwijl zijn hofmaarschalk hem van stad naar stad bracht.
Op een vroege zomeravond kwamen ze aan in stad tweehonderdennogwat, een stad die meer in het westen van het land lag. De vrouw die hij daar bezat, was daags voordien schielijk overleden door de hand aan zichzelf te slaan. Ze had een overdosis slaappillen genomen, met een niet bepaald bot slagersmes in haar beide polsen gesneden en voor de zekerheid ook nog een touw inclusief strop rond haar nek gelegd. Er diende dus in allerijl een reservevrouw te worden opgetrommeld.
Toen die reservevrouw het vertrek binnentrad, donderde Koning Kwansuis letterlijk van zijn stoel. Hij had ontelbare vrouwen gekend, maar de lichaamskenmerken van deze sloegen echt alles, de zichtbaar perfecte peervormigheid van haar borsten vielen meteen bij hem in de smaak. Voordat de reservevrouw de bloedmooie lippen van elkaar had gehaald, wist de koning dat ook haar karaktertrekken hem prima zouden bevallen.
Het eerste wat ze zei, was niet zoals gebruikelijk het onderdanige sire of het slijmerige zijne hoogheid de majesteit, nee, het eerste woord dat deze reservevrouw tegen Koning Kwansuis richtte, was verdomme. En wel om er deze zin mee te beginnen: ‘Verdomme, wanneer zorgt er u eindelijk eens voor dat als ik mijn lakens buiten te drogen hang, ze niet langer door duiven worden onderge?’
Ze had ondergescheten willen zeggen, maar toen had ze de koning voor het eerst recht in de ogen gekeken en had de bliksem haar getroffen. Zelfs als er geen enkele duif maar wel Koning Kwansuis hoogstpersoonlijk op haar fris gewassen lakens was komen schijten, had ze het hem vergeven. ‘Vergeef me,’ zei ze vlug en ze sloeg haar ogen neer.
Koning Kwansuis was overeind gekrabbeld, want hij lag nog steeds op de grond na de letterlijke val van zijn stoel, had haar excuses met de glimlach weggewuifd, en met zijn rechterwijsvinger haar kin en dus haar duizelingwekkend knappe hoofd naar omhoog geduwd. Dat hoofd wou hij het meteen overal beginnen kussen, maar hij hield zich in, want hoe kon hij zo van de kaart zijn van deze reservevrouw, het was niet eens een blondine, maar een brunette.
Om dat uit te vissen, knoopte hij een gesprek aan met de reservevrouw die zich voorstelde als Meisje Welgemaakt. Koning Kwansuis en Meisje Welgemaakt bleven zolang praten dat ze bij het ochtendgloren nog niet eens bij de vleselijke lusten waren aanbeland, hij had niet eens een keer zijn handen op de hoedanigheid van haar billen gelegd, laat staan dat Koning Kwansuis iets wijzer was geworden over de lengte van de schaamhaarkrullen van Meisje Welgemaakt.
Toen de hofmaarschalk op de deur van het vertrek klopte, om de koning aanstalten te laten maken naar de volgende stad te trekken, weigerde Koning Kwansuis resoluut. ‘Overdaad schaadt,’ zei hij fel. ‘Voortaan is stad tweehonderdennogwat de hoofdstad van het land en degradeer ik alle andere steden tot onooglijke, pietluttige dorpjes.’
Het protest van de hofmaarschalk dat er dan helemaal geen sprake meer kon zijn van het land van de driehonderdvijfenzestig steden, smoorde Koning Kwansuis eigenhandig in de kiem door de hofmaarschalk meer dood dan levend tot ver buiten de landsgrenzen te verbannen.
Er ontstond spontaan een groot volksfeest, niet om het verbannen van de hofmaarschalk te vieren, domoor, wel ter ere van het feit dat de vrouwen die Koning Kwansuis zolang had bezeten, voortaan zichzelf bezaten. Zoals dat in de grondwet stond, mochten Koning Kwansuis en Meisje Welgemaakt bij het inzegenen van hun huwelijk het volk één bevel geven. Zo kwam het dat die dag alle duiven uit het land van de driehonderdvijfenzestig steden in de pot werden gedraaid. Duif smaakte iedereen dusdanig goed, dat niemand een opstand in het hoofd haalde en zo was iedereen aan het eind van dit sprookje van Troch weer onnoemelijk tevreden.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s