Koekenpan

Je sloeg haar met een koekenpan op het hoofd. ‘Daar dient die pan niet voor,’ riep ze. Je haalde nog een keer uit. ‘Ik heb misschien een ovaal gezicht, het is geen ei,’ riep ze. Bij de derde dreun verbleekten de twee vorige. ‘Denk maar niet, ‘riep ze al iets minder luid, ‘dat je van mij een pannenkoek kan maken.’ Je sloeg en sloeg en sloeg. Met elke slag kreeg je haar gezicht een ietsepietsie platter, maar een pannenkoek, nee, dat werd ze niet. Dat ze uiteindelijk toch stopte met roepen, dat vond je dan weer niet al te erg.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in Honderduit, proza. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s