489. Draaglijke lichtheid

Het spijt me dat de waarheid de leugen is. Ik heb in alles geloofd. Ik heb geloofd in jou, in ons, ja, zelfs in mijn eigen goedheid. Ik heb geloofd in niet aflatende vreugde en dat geluk oneindig kon zijn. Ik heb geloofd in een draaglijke lichtheid van het bestaan.
Ik heb geloofd in een parallel universum waar er een toekomst zonder verleden was. Ik heb geloofd dat we het ook woordeloos wisten te zeggen enkel en alleen maar omdat we uren sprakeloos naar sterren zaten te turen en jouw wijsvinger de volle maan in de lucht precies zo natekende als mijn wijsvinger. Ik heb geloofd dat wij het middelpunt van elke cirkel waren.
Ik heb geloofd in een wolkenvrije hemel en een rimpelloze zee. Ik heb geloofd in overwinteren en ontluiken. Ik heb geloofd in bloemetjes, bijtjes, vlinders, het godganse circus.
Ik heb geloofd in de mondhoeken die de glimlach niet van je gezicht wisten te branden. Ik heb geloofd in iets torenhoogs. Ik heb geloofd in wolkenkrabbers die uitsluitend uit verdiepingen van onze uitgeademde adem bestonden. Ik heb geloofd in je perzikzachte huid. Ik heb geloofd in de eenheid van onze schaduw.
Ik heb geloofd in hoe je hand in mijn hand, zoals een hand nooit in de mijne, zoals een hand nooit in de jouwe. Ik heb geloofd in hoe jouw lippen op mijn lippen, zoals, ach, je weet wel.
Ik heb geloofd in je hoofd op mijn schouders, in hoe oneindig rustig dat je ademhaling maakte, in hoe je zei dat je hoofd daar nooit meer weg wou. Ik heb geloofd dat mijn schouders voor altijd een kussen voor je hoofd zouden zijn, zelfs toen je zei dat je dringend moest plassen. Ik heb geloofd dat we onze plas eeuwig konden ophouden.
Ik heb geloofd in het heupwiegen door kamers. Ik heb geloofd in het verdwalen in straten die we als onze broekzak kenden. Ik heb geloofd in de donkere steegjes waar ik je borsten zocht en blindelings vond. Ik heb geloofd in de pleinen waar we vreesden dat de menigte ons zou insluiten en stenigen of vertrappelen.
Ik heb geloofd in het tellen van de regendruppels die onze vingers kusten. Ik heb geloofd in al het sentimentele gedoe waaraan we ons bezondigden.
Ik heb geloofd in het voorgoed verjagen van demonen. Ik heb geloofd in het afschudden van de dood zolang ik maar hard genoeg bleef lopen. Ik heb geloofd in alle angst uit mijn lendenen schudden.
Ik heb geloofd in steeds en in nooit meer nooit. Ik heb in alles geloofd, en dat alles was jij. Het spijt me dat de zon opkomt, ook zonder jou.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s