490. De huizen van de rijken

Op maandagochtend stappen we met zijn allen de bus op om in de buitenwijken van de stad de huizen van de rijken te kuisen. Tijdens de hele busrit zitten we te zwijgen, in ons stamcafé kent men ons nochtans als grote praters. Aan de toog houden wij bevlogen betogen over alles wat ons aanbelangt. En alles belangt ons aan.
Maar, een barkruk is iets heel anders dan een bank in de bus. Dat zit niet zo gemakkelijk. Daar komt nog eens bij dat het een niet te onderschatten impact op ons heeft, de beklemmende grauwheid gestaag zien veranderen in open ruimte. Die impact heeft niemand van ons al onder woorden weten te brengen.
Vanaf het moment dat we de bus opstappen, is het ieder voor zich. De meesten turen murw geslagen naar buiten, sommigen proberen het vuil onder hun vingernagels vandaan te pulken, een enkeling verdiept zich in een vuistdikke roman. Iedereen bereidt zich op zijn eigen manier voor om op te ruimen, af te stoffen en te dweilen.
Dat is geen pretje. Na elk weekend zijn de huizen van de rijken slachtoffers van exuberante feestjes. In de bus proberen we ons voor te bereiden op wat we nu weer te zien zullen krijgen. Wat we aantreffen, is altijd veel erger dan we het ons hadden voorgesteld. Het is voor een enkele mens bijna niet te doen om het huis van een rijke in een mum van tijd weer enigszins leefbaar te maken. Toch lukt ons dat, elke week opnieuw.
Daarom zijn wij zo gegeerd door de rijken. Wat ze ons ervoor betalen, is slechts een aalmoes, maar het is voldoende om niet buiten te moeten slapen. Werk dat beter betaalt, is nauwelijks te vinden. Dus stappen we elke maandagochtend weer die vermaledijde bus op.
Pas als de bus piepend in de buitenwijken halt houdt en de deuren puffend openzwaaien, staan we op, de enkeling met de vuistdikke roman doet dat steevast als laatste. Hij is de zonderling onder ons, in ons stamcafé voert hij zelden het hoogste woord.
Zonder elkaar ook maar bemoedigend toe te knikken, zwermen we uit over de buitenwijken. We bellen aan bij het huis waarvoor we verantwoordelijk zijn, niet een van ons heeft een huissleutel. Hoe goed het werk ook is dat we afleveren, de rijken blijven achterdochtig. Op maandag durven ze hun huis niet te verlaten.
Als we met de stofzuiger in de weer zijn, moeten we hen regelmatig vragen hun voeten op te heffen. Dat vragen we beleefd maar kordaat. De rijken hebben graag dat we niet te onderdanig, maar ook niet te bazig zijn. En we weten dat we in hun bijzijn maar beter geen enkele emotie tonen als we weer eens zo goed en zo kwaad als dat kan het braaksel van een peperduur schilderij proberen te verwijderen.
Zodra we de bus opstappen die ons laat in de middag terug naar de stad brengt, breken we los en overtroeven we elkaar met straffe verhalen. De enkeling met de vuistdikke roman heeft al vaak gezegd dat als iemand die straffe verhalen zou opschrijven, hij er geen letter van zou geloven.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s