491. Platenkast

Je vader gaat voor de platenkast staan. Hij is nog maar vijfentwintig, toch heeft hij al een gigantische collectie. Dat komt omdat hij af en toe her en der plaatjes mag draaien. Daar dansen de mensen dan op. Je vader maakt mensen gelukkig. Wie je vader het meest gelukkig maakt, is je moeder. Dat komt niet zozeer omdat hij thuis ook al eens een plaatje oplegt.
Al staat hij nu voor de platenkast, hij maakt geen aanstalten om de knop van de radio om te draaien en iets uit zijn collectie op de draaitafel te leggen. Die collectie heeft hij netjes gerangschikt op artiestennaam. Zijn ogen dwalen van links naar rechts, van boven naar beneden. Hij is in gedachten verzonken. Alsof hij een spannend boek leest.
Soms stoppen zijn ogen met dwalen en haalt hij een hoes uit de kast. Hij bekijkt aandachtig de foto op de voorkant, strijkt met een vinger over de titel en de naam van de artiest. Dan weer stopt hij de plaat terug, dan weer draait hij de hoes om. Welke nummers staan er ook alweer op? Of beter, in welke volgorde? Of nog, hoelang duurt het langste lied? Je vader propt het allemaal in zijn hoofd. Voor iemand die af en toe her en der plaatjes mag draaien, zijn die dingen belangrijk. Je vader kent onnoemelijk veel van muziek. Om niet te zeggen, alles.
In de tijd die hij nu al voor de platenkast staat, heeft hij niet een keer geglimlacht. Al is hij vaak een losbol, je vader kan ook al eens ernstig zijn. Hij zucht als hij op het eind van het alfabet is. Meteen schieten zijn ogen weer naar de eerste platen bovenaan links. Hij vond het spannende boek vast zo goed dat hij het meteen wil herlezen. Of is hij op zoek naar waar die ene prachtige passage ook alweer stond?
‘Hm,’ mompelt hij als hij de zoveelste plaat uit de kast plukt. Op de voorkant prijkt een foto van de zanger die indringend in de lens kijkt, een brandende sigaret in de linkerhand. Zijn naam staat in een sierlijk lettertype, het lettertype van de titel is saaier, kleiner ook. In plaats van de plaat uit de hoes te halen, loopt je vader ermee naar de keuken.
‘Het werd toch een zoon?’ vraagt hij, de losbol. Je moeder kijkt niet op, ze blijft aardappelen jassen. ‘Als we hem nu eens naar hem noemen,’ zegt je vader en hij port met de hoes even speels in de zij van je moeder. Ze legt het aardappelmesje op het aanrecht, veegt haar handen droog aan de keukenshort en neemt de plaat van hem over. Haar stralende glimlach is een duidelijk antwoord.
‘David Bowie, ja, dat is een mooie man,’ zegt je moeder. Even later weerklinkt Young Americans door het huis en staan je ouders wel heel dicht bij elkaar te heupwiegen. Je kan haast voelen hoe teder de handen van je vader de buik van je moeder strelen.

Over davidtroch

man van het woord
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s