494. Diepe, droomloze slaap

 

Ik viel in een diepe, droomloze slaap. Op zich niks bijzonders, iedereen valt al eens in een diepe, droomloze slaap, het was ook voor mij niet de eerste keer, de keren dat ik in een diepe, droomloze slaap viel zijn niet te tellen, maar toch sta ik erop u over deze diepe, droomloze slaap te vertellen omdat ik mij bij mijn val flink bezeerde.
Nu zou u denken dat ik mijn hoofd tegen het nachtkastje stootte, of met mijn knie hard tegen de bedrand knalde, of met mijn achterwerk op het laminaat kwakte, maar nee, niets van dat alles, ik bezeerde mij aan mijn twaalfvingerige darm. Ik wist wel dat ik zo’n twaalfvingerige darm had, en dat die niet in mijn kuiten noch in mijn oogbollen zat, maar ik wist hem toch ook niet precies in mijn buik te lokaliseren. Ik kan u wel zeggen dat ik dat voortaan wel kan. Wat ik u ook kan zeggen, is dat zo’n twaalfvingerige darm verdomme veel pijn kan doen. Had u daar enig idee van? Ik niet. Tot ik dus in deze diepe, droomloze slaap viel.
Op zich heb ik helemaal niks tegen een diepe, droomloze slaap, stiekem ben ik er dol op, voor mij kan een diepe, droomloze slaap niet diep genoeg zijn, zodat er zeker niet ergens een of andere verdwaalde droom vanachter een hoekje komt piepen, maar uit deze diepe, droomloze slaap kon ik niet snel genoeg klauteren. Dat klauteren viel allesbehalve mee, sterker, ik zou durven beweren dat het klauteren behoorlijk tegenviel.
Door de helse pijn in mijn twaalfvingerige darm wist ik niet wat boven en wat onder was. Ik begon dan maar te klauteren op goed geluk, maar het geluk was niet met mij, want na een tijdje kreeg ik door dat ik in plaats van naar de uitgang te klimmen, dieper en dieper in de diepe, droomloze slaap afdaalde. Bovendien werd, bij elke stap die ik zette, de pijn in mijn twaalfvingerige darm heviger.
Ik stopte dan ook even met klauteren om op adem te komen en mijn twaalfvingerige darm rust te gunnen. Toen de pijn enigszins was geluwd, maakte ik rechtsomkeer en keerde op mijn stappen terug. Niet voetje voor voetje, ik klauterde alsof mijn leven er vanaf hing. Dat was duidelijk tegen de zin van mijn twaalfvingerige darm, hij liet niet met zich sollen, de pijn was al snel niet meer te harden. De pijn werd uiteindelijk zo hels dat ik het uitgilde. Ik gilde dusdanig luid dat ik de diepe, droomloze slaap uitschoot. Dat gebeurde met zo’n rotvaart dat ik mijn hoofd tegen het nachtkastje stootte, met mijn knie hard tegen de bedrand knalde en met mijn achterwerk op het laminaat kwakte.

 

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s