495. Een of ander grietje

Ik stap het café buiten, duik in mijn jas en steek de straat over naar de tramhalte. Ik heb geen zin mezelf naar het station te slepen. Het regent meer dan me lief is. Een of ander grietje noemt mijn naam. Ik herken haar niet. Het dondert niet. Ze heeft een paraplu. Ik ga eronder staan, mijn arm stoot even de hare aan. Ze doet alsof ze het niet erg vindt. Ze beweert dat we elkaar eerder hebben ontmoet. Ze zegt waar. Ik knik. Daarmee geef ik toe dat die plek me niet vreemd is. Daarmee hou ik in het midden dat ik me haar herinner. Dat doe ik niet.
‘De tram komt over tien minuten,’ zegt ze. Tien minuten onder een paraplu staan met een praatziek grietje dat ik niet ken. Ik overweeg er vandoor te gaan. Ondanks de regen. Ondanks de twintig minuten lopen naar het station. Ondanks het feit dat ik me op dit moment tegen eender welk grietje aan zou schurken. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat ze me vanuit haar ooghoeken aankijkt. Ik blijf waar ik ben. Wat ben ik manmoedig. Even dreigt er een stilte te vallen, dan komt de tram piepend de hoek om.
‘Tien minuten duren tegenwoordig een handvol seconden,’ zeg ik. Ik kan niet zien of ze moet glimlachen, ze plooit haar paraplu op en verdwijnt in de tram. Ik volg haar. Ik voel me een gedwee schoothondje. Ik ga naast haar zitten. Ze diept haar mobiele telefoon uit haar handtas op.
‘Even een sms sturen,’ zegt ze. ‘Voor een ticket.’ Ik moest maar eens denken dat ze haar mama liet weten dat ze met geen enkele vreemdeling is meegegaan, dat ze eraan komt, dat mama alvast het kersenpitkussentje in de microgolfoven mag opwarmen. Ik sta op en valideer mijn ticket in de automaat. Ouderwets als ik ben.
Van zodra ik weer naast haar neerplof, pikt ze de draad van ons gesprek weer op. Een gesprek is het niet, het neigt naar de monoloog, ik voeg weinig toe. Ze rakelt onze eerdere ontmoeting op. Ze geeft schrikbarend veel details. Blijkbaar was het wel heel gezellig. Waarom herinner ik me er niks van? Ik wil vragen hoe dronken ik was. Maar ik was niet dronken. Uit haar relaas leid ik af dat het nog voor de middag was. Voor de middag drink ik nooit. Ik begin er pas later aan. Vanavond ben ik er voor mijn doen vroeg mee opgehouden. Ik zette zelfs niet zo gek veel glazen aan mijn lippen. Ik kan nog helder denken.
Ik zeg iets grappigs over de parapluutjes op haar paraplu en kijk het grietje schaamteloos aan. Nu zie ik wel dat ze glimlacht, haar arm stoot even de mijne aan. Ik heb nog steeds het raden naar haar naam.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s