496. De man die allergisch was voor alles wat groen is

De man die allergisch was voor alles wat groen is, was jammer genoeg niet kleurenblind. Een verkwikkende boswandeling zat er niet in. Ook niet in de winter, als alle takken hun bladeren hadden afgeworpen, er priemde altijd wel ergens een varen door de sneeuw.
Elke dag had de man die allergisch was voor alles wat groen is heimwee naar het bos. De geur van dat bos waaide nog altijd door de klep van de brievenbus zijn kleine huisje binnen, maar sinds die dekselse allergie van de ene dag op de andere de kop had opgestoken, had hij geen voet meer in het Zoniënwoud gezet, zijn hele leven had hij aan de rand ervan gewoond. Van zodra een dokter de diagnose had gesteld en drie anderen die hadden bevestigd, had hij alle rolluiken van zijn kleine huisje neergelaten, zodat hij niet langer kon uitkijken op de naald- en loofbomen waarvan zijn vader alle Latijnse namen had gekend, maar die hij zelf maar niet wist te onthouden.
De man die allergisch was voor alles wat groen is, was misschien niet het grootste licht, hij wist wel dat als het leven hem lief was, en dat was het hem, hij maar beter alles wat groen is uit zijn leven kon bannen. Dat bleek nog een hele opgave. Zich buiten wagen, was zo goed als uitgesloten.
Hij had het wel eens geprobeerd, eerst was hij met gesloten ogen voetje voor voetje de straat uit geschuifeld, hij had de weg zo vaak afgelegd dat hij die blindelings kende, maar toen hij het Zoniënwoud ver genoeg achter zich had gelaten en zijn ogen weer had geopend, was hij regelrecht op een verkeerslicht gebotst dat net op groen sprong. Met een dusdanige luide hoest- en niesbui tot gevolg dat die tot aan de andere kant van Brussel te horen was. Op een of andere manier was hij erin geslaagd weer naar zijn kleine huisje te vluchten, waar hij nog dagen van zijn kleine uitstap had moeten bekomen.
Uit dat kleine huisje had hij alle bloemen en planten verbannen. Kledingstukken, kussenslopen, teddyberen, alles waarin ook maar een spikkeltje groen zat, had hij uit het slaapkamerraam geworpen. De trouwfoto van zijn ouders had hij omgedraaid aan de muur gehangen. Vooral dat viel hem zwaar. Hij had de gewoonte hen voor elke maaltijd toe te knikken, alsof hij verwachtte dat ze een allerlaatste keer ‘eet smakelijk’ zouden zeggen.
In het kleine huisje werd nog nauwelijks gesproken, alsof met het groen ook elk geluid verdwenen was. De enige muziek waarvan hij had gehouden, kwam van de vogels in het Zoniënwoud. Het grootste deel van zijn dagen bracht hij door in de woonkamer. Daar zat de man die allergisch was voor alles wat groen is de godganse tijd de uitvinder van de kleurentelevisie te vervloeken.

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s