497. De koezoekers

‘Wat zoek je?’
‘Niet wat, wie.’
‘Wie zoek je?’
‘De koezoekers.’
‘De koezoekers?’
‘De koezoekers.’
‘Wat zijn de koezoekers?’
‘Niet wat, wie.’
‘Wie zijn de koezoekers?’
‘De koezoekers zijn de koezoekers.’
‘De koezoekers zijn de koezoekers.’
‘Zo is dat.’
‘Maar, hoe zien ze er dan uit?’
‘Wie?’
‘De koezoekers.’
‘Zoals koezoekers. Hoe zouden ze er anders uit zien?’
‘Ik heb geen idee. Ik heb nog nooit een koezoeker gezien.’
‘Precies.’
‘Hoezo, precies? Heb jij er ooit een gezien?’
‘Nee, nog nooit. Daarom ben ik er dus naar op zoek.’
‘Maar, hoe kan je er naar op zoek gaan als je niet weet waar je naar op zoek moet gaan?’
‘Het is niet omdat ik ze nog nooit heb gezien, dat ik niet weet hoe ze eruit zien.’
‘Beschrijf ze dan eens.’
‘Daar is geen beginnen aan.’
‘Omdat je het echt niet weet.’
‘Niet zo fel. Ik ben een autoriteit op het gebied van koezoekers.’
‘Bestaan ze wel?’
‘Natuurlijk bestaan ze. Dat je dat nog maar in vraag durft stellen.’
‘Je kan net zo goed op zoek gaan naar fluiteflieders.’
‘Flierefluiters bedoel je.’
‘Nee, ik bedoel wel degelijk fluiteflieders.’
‘Wat zijn fluiteflieders?’
‘Niet wat, wie.’
‘Wie zijn fluiteflieders?’
‘Fluiteflieders zijn fluiteflieders.’
‘Fluiteflieders zijn fluiteflieders.’
‘Zo is dat.’
‘Maar, hoe zien ze er dan uit?’
‘Wie?’
‘De fluiteflieders.’
‘Zoals fluiteflieders. Hoe zouden ze er anders uit zien?’
‘Ik heb geen idee. Ik heb nog nooit een fluiteflieder gezien.’
‘Precies.’
‘Hoezo, precies? Heb jij er ooit een gezien?’
‘Nee, nog nooit. Daarom ben ik er dus naar op zoek.’
‘Maar, hoe kan je er naar op zoek gaan als je niet weet waar je naar op zoek moet gaan?’
‘Het is niet omdat ik ze nog nooit heb gezien, dat ik niet weet hoe ze eruit zien.’
‘Beschrijf ze dan eens.’
‘Daar is geen beginnen aan.’
‘Omdat je het echt niet weet.’
‘Niet zo fel. Ik ben een autoriteit op het gebied van fluiteflieders.’
‘Bestaan ze wel?’
‘Natuurlijk bestaan ze. Dat je dat nog maar in vraag durft stellen.’
‘Je kan net zo goed op zoek gaan naar koezoekers.’
‘Ben je al lang op zoek naar koezoekers?’
‘Een tijdje. En jij naar je fluiteflieders?’
‘Een tijdje. Net als jij naar je koezoekers.’
‘Dan laat ik je maar eens verder zoeken.’
‘Laat je me weten als je ze gevonden hebt?’
‘Zal ik doen. Jij ook?’
‘Ik ook.’
‘Wat moest ik ook alweer zoeken?’
‘Koezoekers.’
‘Weet je zeker dat ik niet de fluiteflieders moest zoeken?’
‘Nee, ik zoek de fluiteflieders, jij de koezoekers.’
‘Jammer. Ik heb het altijd meer voor fluiteflieders dan voor koezoekers gehad.’

 

Advertenties

Over davidtroch

man van het woord | meneertje literatuur bij WISPER | Gents stadsdichter op rust
Dit bericht werd geplaatst in proza, ultrakort. Bookmark de permalink .

Een reactie op 497. De koezoekers

  1. haha ! Ik lach me een breuk ! Ook heerlijk om te lezen !

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s