Schommel

Zodra de kinderen in bed liggen, sprint je naar beneden, naar buiten, naar de schommel. Je gooit je kont op de houten plank, grijpt de koorden stevig beet en beweegt je benen heen en weer. Binnen de kortste keren zwier je dat het een lieve lust is. De kriebels in je buik, de wolkeloze hemel, de ondergaande zon. Wat is het heerlijk. Je voelt de jaren zo uit je wegvloeien. Pas als het al behoorlijk donker is, spring je van de schommel. Als herboren ga je naar binnen. Tijd voor het huishouden. Als kind moest je daar ook bij helpen.

Advertenties
Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Hokjes

Je denkt in hokjes. Die heb je eigenhandig in elkaar getimmerd. Dat ging niet zonder slag of stoot. Het schoot pas enigszins op van zodra je begreep dat je de bijgeleverde handleiding de hele tijd ondersteboven had vastgehouden. Het ene hokje blijkt al wat comfortabeler dan het andere. Sommige zijn te krap uitgevallen, daar pas je nauwelijks in. Toch kan je ook daarin denken. Buiten de hokjes kan je dat niet, dan vliegen je gedachten alle kanten op. Hoe is het mogelijk dat anderen daar kunnen nadenken over de kleur van de likjes verf die ze hun hokjes willen geven?

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Zonsopgang

‘Waar kijk je naar?’ vraagt je zoon wanneer hij naast je aan het keukenraam komt staan. Je zwijgt, wijst naar de vliegtuigstrepen en de plukjes wolk aan de hemel die rood kleuren door de opgaande zon. Je zou het geen straf vinden als dit soort lucht de hele dag boven je hoofd zou hangen. Misschien is je zoon dezelfde mening toegedaan. Ook hij staat er stil bij. Hij laat zelfs geen langgerekte oh uit zijn mond ontsnappen. Wel zoekt en vindt hij je hand. Daar knijpt hij heel even in. Jij knijpt terug. Kon je momenten als dit maar bevriezen.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Schoenen

Een man op een bank in een park. Hij draagt twee verschillende schoenen. De ene donkerzwart, de andere enkele tinten lichter en duidelijk nieuwer. Als je beter kijkt, merk je dat het twee linkerschoenen zijn. Begrijpelijk dat de man er even is bij gaan zitten, de helse pijnen in zijn rechtervoet moeten niet te harden zijn. Je neemt naast hem plaats en knoopt de veter van je rechterschoen los. ‘Hier,’ zeg je en je steekt hem je schoen toe. De man lacht minzaam. ‘Prettige dag,’ zeg je als je opstaat. Geschoeid aan slechts een voet hink je het park uit.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Groene jongen

Al heel mijn leven ben ik een groene jongen. Het zit wellicht in mijn genen. Een van mijn vroegste herinneringen aan het ecologische gedachtegoed dateert van een koopzondag. De week voor de befaamde verkiezingen van 14 oktober 2018. Die ochtend had ik de netten bij een voetbalwedstrijd zo goed als schoon gehouden. De voetbalkleuren van onze club: groen. Misschien was dat al een teken. Apetrots op mijn prestatie fietste ik aan de zijde van mijn vader naar huis.
’s Middags mocht ik bij hem achterop, mijn broertje in het fietsstoeltje bij mijn moeder. Met zijn vieren trokken we naar centrum Gent. Voor een kinderfestival waarvan ik me de naam niet meer herinner. Op mijn tachtigste kraken niet alleen mijn botten, maar wil ook mijn geheugen weleens tegensputteren. Dat het festival in en om het oude gerechtsgebouw plaatsvond, daar staat me vaag nog iets van bij. Wat me nog helder voor de geest staat, is de tekstballon die mijn vader en ik er samen maakten. Ik was nog maar net zes, dus schreef hij de boodschap die ik wou erop: ‘Lieve Jeanne, ik wil dat jij op 1 augustus naar mijn slaapfeestje komt’. De tekstballon kwam aan een tak te hangen en zo liep ik op dat festival rond, op zoek naar Jeanne, een van mijn klasgenootjes, die ik er eerder had gespot. Ik vond haar terug en ze zei: ‘Ja.’ De rest van dat verhaal laat zich raden.
Maar, in de ene hand had ik dus die tak met de tekstballon, in de andere droeg ik een bord met de tekst: ‘Ja, ik stem groen. Hashtag het kan anders.’ Ik kreeg het op de Kouter toegestopt van een voormalige schepen wiens naam me nu even ontglipt. Echt, dat geheugen. Hij had het circulatieplan uitgerold, dat later in menig andere stad tot voorbeeld heeft gediend.
Op de Kouter raakte ik die middag verzeild aan de hand van vader en moeder. Volgens mij wilden zij helemaal niet naar dat kinderfestival, maar was hun eigenlijke doel die bijeenkomst van de groene partij. De ene na de andere politicus stak er een speech af. Ik zette mij helemaal vooraan op de grond en luisterde aandachtig, applaudisseerde wanneer de anderen applaudisseerden. En van een van hen kreeg ik dus dat bord.
Toentertijd woonden mijn ouders in een doodlopende straat. Het had weinig zin het voor het raam te hangen, dus kwam het die laatste week voor de verkiezingen aan de achterruit van onze auto terecht. Niet dat vader en moeder speciaal uit rijden gingen, maar ’s ochtends brachten ze mij en een klasgenootje uit onze straat naar school met de wagen – de buurman zou het de maand daarna doen, mijn ouders dan weer in december – en mijn moeder gaf toen schrijfles in een andere stad waar je wel naartoe kon met de trein maar toentertijd ’s avonds niet meer terug naar Gent kon. Dat kunnen we ons nu, meer dan zeventig jaar later, amper nog voorstellen. Aan die achterruit bereikte dat bord toch iets meer ogen.
Na de verkiezingen kwam het bord in de slaapkamer te hangen die ik met mijn broertje deelde, maar wel boven mijn bed. Niet alleen in dat bed, maar in alle andere bedden waarin ik ooit gelegen heb, droomde ik al eens over de winkeltas die ik die middag in de Leie had zien drijven. In die droom bevestigden mijn ouders steevast mijn vermoeden toen ik zei: ‘Dat mag toch niet.’ Mijn ouders, mijn broertje en ik gingen op zoek naar de schuldige. Eens gevonden, zetten we hem te kijk op het plein voor het oude gerechtsgebouw. Iedereen sprak schande over hem. Maar omdat er geen onmensen in die droom ronddwaalden, vergaven we hem. Meer, we begonnen met zijn allen alle rotzooi uit de rivier te vissen, maakten de pleinen en straten schoon, plukten het zwerfvuil uit de bermen langs de autosnelweg. Telkens ik die droom droomde, werd ik erg vermoeid wakker, dat kan ik je wel vertellen.
Gelukkig, sinds die ene koopzondag is er veel ten goede veranderd. Uitsluitend elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, huisvesting op maat van iedereen, een hoge mate van solidariteit onder de mensen. Het zijn maar enkele dingen waar ik nu aan denk. Op mijn tachtigste ben ik er nog altijd trots op dat ik al mijn hele leven een groene jongen ben.

Groene jongen

(c) Foto: Stijn Noppen

Geplaatst in proza | Een reactie plaatsen

Zondagochtend

Je zwaait de deur van de bakkerij open. Je kan er nog net bij. Op zondagochtend is het altijd extra druk. ‘Wat een toeval,’ zeg je tegen je twee buurmannen die vlak voor je in de wachtrij staan. De mannen kijken eerst jou, dan elkaar aan. Een flits van herkenning verschijnt op hun gezicht. ‘Tegenwoordig hebben mijn ogen tijd nodig om te wennen aan de dag,’ zegt een van hen. ‘Maar wel met de auto rijden,’ merk je op. ‘De weg hierheen ken ik blindelings,’ antwoordt hij. De bakkersmeisjes kijken schichtig als jullie met zijn drieën in luid lachen uitbarsten.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Tram

Een oksel in je neus, de zoveelste por in je zij. Is dit misschien een wereldrecordpoging ‘prop zoveel mogelijk mensen in een zo klein mogelijke ruimte’? De volgende keer neem je de auto weer. Geen denken aan dat je ooit opnieuw een voet in een volgestouwde tram zet. Schrap volgestouwde maar. Zelfs als de tram op de chauffeur na leeg is, krijgt men je er niet meer in. Je breekt nog liever een been. Straffer: allebei je benen en je armen erbij. Een tram is iets van de tijd van de postkaarten. Een tram is totaal niet cool op Instagram.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen