Put

Je graaft een put voor de veiligheid. En nog een en nog een. Voor elke dag van de week graaf je er een. Op maandag verschans je je in de diepste, op dinsdag in de smalste, op woensdag in de middelste. En dan heb je nog putten voor donderdag, vrijdag en de twee dagen van het weekend. Elke dag een andere put, het geeft je het heerlijke gevoel dat je op reis bent. Niet dat een put een hotel is, het is er allerminst comfortabel. En toch zit je graag in de put, want het is er zo lekker veilig.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Verstopt

Je hebt de dood gevonden. Hij had zich niet al te best verstopt. ‘Waarom,’ vraag je, ‘ben je niet in een nis, achter een tafelpoot of onder een loszittende tegel verdwenen?’ De dood antwoordt niet, hij staat daar maar met die domme grijns om zijn mondhoeken. De dood is vast verstandelijk gehandicapt. ‘Kom,’ zeg je, ‘de andere zijn er ook nog.’ Zwijgzaam volgt hij, als een schaduw, hij doet geen enkele suggestie waar je best zoekt. Je kiepert de vuilnisbak uit, wrikt de afvoer open, stopt een arm in de toiletpot. Niets. Zo gemakkelijk laat het geluk zich niet vinden.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Hoekje

Daar zit je dan met je geluk. In een hoekje. Een behoorlijk donker hoekje. Morsig ook. Volstrekt ongezellig. Ga nu niet beweren dat een betonnen vloer comfortabel is. En wat een muffe geur. Een mengeling van kattenpis, verschraald bier en etenswaren die de houdbaarheidsdatum sinds jaren hebben overschreden. Als het eind der beschaving een geur heeft, ruikt het als dat hoekje. En daar kruip jij met je geluk. Wie haalt nu zoiets in zijn hoofd? Wat denkt het geluk daarvan? Als je zo bang bent dat iemand het geluk je afhandig maakt, waarom knuffel je het dan niet snel dood?

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Pimpelmeesjes

Het gefluit van vogeltjes, midden in de stad. Geen meeuwen of jan-van-genten, eerder een koppel pimpelmeesjes, roodborstjes misschien. Je speurt de lucht af, zoekt op lantaarnpalen, scant zelfs een vuilbak. Niets. De enige levende ziel in de buurt is een meisje aan de overkant van de straat. Ze diept haar telefoon op uit haar handtas. ‘Hallo,’ zegt ze. Het gefluit stopt. Je houdt gelijke tred met het meisje dat een kort gesprek voert. Zodra ze inhaakt, steek je over. ‘Sorry,’ zeg je, ‘mag ik je hier en nu eens bellen? Ben jij ook zo dol op het gefluit van pimpelmeesjes?’

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Dak

Ze glijdt uit bed, schuift de gordijnen open en zegt: ‘Er ligt sneeuw op het dak van de buren.’ Ze zegt het als: ‘Er ligt meer sneeuw op het dak van de buren dan op het onze. Doe daar wat aan.’ ‘Hm,’ zeg je. Ze haalt het dekbed van je af en herhaalt: ‘Sneeuw.’ ‘Oké, dan,’ zeg je. Je komt uit bed, verwisselt je pyjama voor een stel warme kleren en gaat met de sneeuwschop en een ladder naar buiten. Het is al bijna middag als er eindelijk meer sneeuw op jullie dak ligt dan op dat van de buren.

Geplaatst in Honderduit, proza, Uncategorized | Een reactie plaatsen

498. De man die aan zichzelf genoeg heeft

De man die aan zichzelf genoeg heeft spreekt de massa toe. De massa aanhoort hem als uit een aandachtig oor. Als er een speld zou vallen, zou je dat horen, maar in geen enkele broek- of jaszak zit een speld verstopt. Waarom zou men er een meebrengen? Tussen wat de man die aan zichzelf genoeg heeft vertelt, is toch geen speld te krijgen.
De massa is het erover eens: wat de man die aan zichzelf genoeg heeft verkondigt, is de waarheid. Wat laten ze graag die waarheid over hun hoofden uitstrooien. Niet een van hen weet de waarheid zo glashelder te verwoorden, dat kan alleen de man die aan zichzelf genoeg heeft.
De massa aanbidt de man die aan zichzelf genoeg heeft. Als de massa gelovig zou zijn, zou de man die aan zichzelf genoeg heeft hun god zijn. Ze zouden voor hem op bedevaart gaan, blootvoets, in lompen gehuld, bij temperaturen die ver onder het vriespunt liggen. Voor de man die aan zichzelf genoeg heeft is geen moeite hen teveel.
Ze komen van heinde en verre om hem te zien, te horen en ook een beetje te ruiken. De man die aan zichzelf genoeg heeft heeft een niet te ontkennen lichaamsgeur die nog verder draagt dan zijn stem. Daar knijpt de massa graag een oogje voor dicht, het is te zeggen, een neusgat. Sommigen knijpen er zelfs twee neusgaten voor dicht. Daarvoor hebben ze geen speld bij, maar wel een wasknijper. Je reinste zelfkastijding.
Als u al eens een wasknijper een, twee, drie uur op uw neus heeft gespeld, herinnert u zich vast dat zo’n wasknijper op den duur enigszins pijn begint te doen en de man die aan zichzelf genoeg heeft staat erom bekend alleen maar langdurige redevoeringen te houden. Wie voor een wasknijper kiest om de neusgaten toe te knijpen, laat die van begin tot einde zitten waar hij zit. Het zou van weinig respect getuigen om hem al van de neus te halen als de man die aan zichzelf genoeg heeft nog aan het woord is. De wasknijper is het bewijs dat de massa veel voor hem over heeft. Voor de man die aan zichzelf genoeg heeft spreekt dat voor zich.
De man die aan zichzelf genoeg heeft dankt de massa niet, niet voor de wasknijpers, niet voor hun komst, niet voor het luisterend oor. De massa mort niet. De man die aan zichzelf genoeg heeft stopt zijn arm in de lucht, stapt het podium af en verdwijnt in de coulissen. Wasknijpers verdwijnen in broek- en jaszakken en de massa haalt opgelucht adem. In zijn kleedkamer kijkt de man die aan zichzelf genoeg heeft langdurig in de spiegel. Hij zegt geen woord. Hij heeft nu wel genoeg gezegd.

Geplaatst in proza, ultrakort | Een reactie plaatsen

Mayo

Mayo kwispelt om je benen. Het is zijn tijd van de dag om op zijn vertrouwde plekje, de derde lantaarnpaal die jullie passeren, een poot op te heffen. Je komt overeind van de bank, legt het boekje met woordzoekers zorgvuldig op het glazen salontafeltje en sloft naar de commode waarin je zijn halsband bewaart. Het kwispelen gaat nu gepaard met een zwak gekef. Je lijnt de poedel aan en plukt je jas van de kapstok. Die is nu schrikbarend leeg, net als je linkerhand. Je grinnikt, stapt naar buiten en vlak voor de derde lantaarnpaal zet je de kapstok neer.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen