Absolutie

‘Ik kom absolutie vragen.’ De bakkersvrouw kijkt schichtig om zich heen, al staat er geen andere levende ziel in de winkel. Met een subtiel handgebaar dat vloekt met haar rubensiaanse lichaamsbouw wenkt ze je achter de toonbank. Ze zakt door de knieën. Even denk je dat ze je niet goed begrepen heeft. Steunend en kreunend opent ze een luik. Er komt een gapend gat tevoorschijn. Je knippert met je ogen. De winkelbel rinkelt. De bakkersvrouw gebaart driftig. ‘Godverdomme. Snel,’ sist ze tussen haar tanden. Je slaat een kruisteken, doet een stap naar voren en bidt dat er een trap is.

Geplaatst in Honderduit, proza, Uncategorized | Een reactie plaatsen

Naargeestig

Er was een tijd dat alle mensen kleiner dan drie meter eenenzeventig waren. Het was een naargeestige tijd. Stel je het maar eens voor, dat zowat elk grassprietje groter is dan jij. Dat je ladders en hoogtevrees nodig hebt om appels, peren en andere vruchten uit bomen te plukken. Dat je die appels, peren en andere vruchten niet met één hap naar binnen kan werken. Kauwen, wat een verschrikking moet dat geweest zijn. Gelukkig heb jij geen onderontwikkeld pruilmondje, maar een uit de kluiten gewassen maalmolen waarin de kadavers van volwassen geiten, schapen en lama’s moeiteloos in één keer verdwijnen.

Geplaatst in Honderduit, proza | 1 reactie

Desbetreffende

Minstens één keer per dag gebruik je het woord desbetreffende. Een dag dat je dat niet doet, is een verloren dag. Vandaag heb je het nog niet in de mond genomen en het loopt al tegen middernacht. Het zou zonde zijn om deze dag als verloren te moeten bestempelen, want hij was rijk gevuld. Je stond op, nam daarna wel drie maaltijden tot je en nu zit je in pyjama moe en enigszins voldaan aan de keukentafel. ‘Desbetreffende deze dag is weinig slechts te melden,’ mompel je tegen je kanarie. De kerkklokken slaan twaalf keer. Dat was op het nippertje.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

497. De koezoekers

‘Wat zoek je?’
‘Niet wat, wie.’
‘Wie zoek je?’
‘De koezoekers.’
‘De koezoekers?’
‘De koezoekers.’
‘Wat zijn de koezoekers?’
‘Niet wat, wie.’
‘Wie zijn de koezoekers?’
‘De koezoekers zijn de koezoekers.’
‘De koezoekers zijn de koezoekers.’
‘Zo is dat.’
‘Maar, hoe zien ze er dan uit?’
‘Wie?’
‘De koezoekers.’
‘Zoals koezoekers. Hoe zouden ze er anders uit zien?’
‘Ik heb geen idee. Ik heb nog nooit een koezoeker gezien.’
‘Precies.’
‘Hoezo, precies? Heb jij er ooit een gezien?’
‘Nee, nog nooit. Daarom ben ik er dus naar op zoek.’
‘Maar, hoe kan je er naar op zoek gaan als je niet weet waar je naar op zoek moet gaan?’
‘Het is niet omdat ik ze nog nooit heb gezien, dat ik niet weet hoe ze eruit zien.’
‘Beschrijf ze dan eens.’
‘Daar is geen beginnen aan.’
‘Omdat je het echt niet weet.’
‘Niet zo fel. Ik ben een autoriteit op het gebied van koezoekers.’
‘Bestaan ze wel?’
‘Natuurlijk bestaan ze. Dat je dat nog maar in vraag durft stellen.’
‘Je kan net zo goed op zoek gaan naar fluiteflieders.’
‘Flierefluiters bedoel je.’
‘Nee, ik bedoel wel degelijk fluiteflieders.’
‘Wat zijn fluiteflieders?’
‘Niet wat, wie.’
‘Wie zijn fluiteflieders?’
‘Fluiteflieders zijn fluiteflieders.’
‘Fluiteflieders zijn fluiteflieders.’
‘Zo is dat.’
‘Maar, hoe zien ze er dan uit?’
‘Wie?’
‘De fluiteflieders.’
‘Zoals fluiteflieders. Hoe zouden ze er anders uit zien?’
‘Ik heb geen idee. Ik heb nog nooit een fluiteflieder gezien.’
‘Precies.’
‘Hoezo, precies? Heb jij er ooit een gezien?’
‘Nee, nog nooit. Daarom ben ik er dus naar op zoek.’
‘Maar, hoe kan je er naar op zoek gaan als je niet weet waar je naar op zoek moet gaan?’
‘Het is niet omdat ik ze nog nooit heb gezien, dat ik niet weet hoe ze eruit zien.’
‘Beschrijf ze dan eens.’
‘Daar is geen beginnen aan.’
‘Omdat je het echt niet weet.’
‘Niet zo fel. Ik ben een autoriteit op het gebied van fluiteflieders.’
‘Bestaan ze wel?’
‘Natuurlijk bestaan ze. Dat je dat nog maar in vraag durft stellen.’
‘Je kan net zo goed op zoek gaan naar koezoekers.’
‘Ben je al lang op zoek naar koezoekers?’
‘Een tijdje. En jij naar je fluiteflieders?’
‘Een tijdje. Net als jij naar je koezoekers.’
‘Dan laat ik je maar eens verder zoeken.’
‘Laat je me weten als je ze gevonden hebt?’
‘Zal ik doen. Jij ook?’
‘Ik ook.’
‘Wat moest ik ook alweer zoeken?’
‘Koezoekers.’
‘Weet je zeker dat ik niet de fluiteflieders moest zoeken?’
‘Nee, ik zoek de fluiteflieders, jij de koezoekers.’
‘Jammer. Ik heb het altijd meer voor fluiteflieders dan voor koezoekers gehad.’

 

Geplaatst in proza, ultrakort | 1 reactie

Nasmaak

Er is een geringe nasmaak die zich manifesteert ter hoogte van je speekselklieren. Dat is behoorlijk vreemd, je hebt al drie dagen niets gegeten. Eten is moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, met een dichtgenaaide mond. Je bent in hongerstaking en vast besloten je gelijk te halen. Je gelijk is anders dan het gelijk van anderen, maar als je maar lang genoeg volhoudt, stellen anderen hun gelijk bij naar jouw gelijk. Daar kan geen enkele nasmaak tegenop, zeker geen geringe. Drie televisiecamera’s registeren gretig hoe je adamsappel op en neer beweegt in een poging de geringe nasmaak weg te slikken.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Rioolputjes

Je bent elf en nog steeds bang dat als je niet goed oplet je zomaar in een rioolputje verdwijnt. In Kuttekoven krioelt het godzijdank niet van de rioolputjes. Maar, daar loop je nu niet rond, je bent op schoolreis. Op een plek die uitsluitend uit rioolputjes lijkt te bestaan. Natuurlijk was de buschauffeur zo slim naast zo’n putje te parkeren. Met ingehouden adem sprong je uit de bus. Je kwam slecht neer en verzwikte je enkel. Helemaal achteraan de groep hink je zo dicht mogelijk langs de huizen. Elke keer je de straat moet oversteken, breekt het angstzweet je uit.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen

Kanjers

Je bent vegetariër. Alle dieren heb je lief. Je hecht je zelfs aan kippen. Twee kanjers heb je. Je rooft hun eieren, je voert hen kaas, yoghurt en allerhande toespijs die in de koelkast heeft staan beschimmelen. Ze hebben een luilekkerleventje in hun hermetisch afgesloten kippenren. Tot op een ochtend hermetisch niet zo hermetisch blijkt te zijn. Een kip is verdwenen, de andere ligt in twee helften, een centimeter of tien uit elkaar. Het lijkt alsof ze haar lijfje weer in haar kop heeft willen schuiven. Je vloekt. Je bent vegetariër, maar een vosje, het zou je godverdomme wel smaken.

Geplaatst in Honderduit, proza | Een reactie plaatsen